IN HET HOGE NOORDEN (verzoeknummer)
Nu de Kerstman weer ten tonele is verschenen, loont het misschien de moeite om wat meer over hem te weten te komen. Reeds in oktober ben ik ernaar op zoek gegaan omdat ik hoopte hem nog thuis te vinden alvorens hij aan zijn eindejaarsactiviteiten zou beginnen. Dit verliep niet van een leien dakje. Vooreerst “thuis”, waar is dat ergens ? Ik had een sterk vermoeden dat dit wel in het Hoge Noorden zou zijn, Scandinavië dus, en daarom had ik me gewend tot de ambassades van die landen. Denemarken sloeg ik over. Niet hoog genoeg. De Finnen wisten van toeten noch blazen en de Zweden konden me wel het adres geven van Pippi Längstrump maar daar schoot ik geen moer mee op. Uiteindelijk kwam ik bij de Noren terecht en ja, daar werd ik wel wat wijzer. Een precies adres kon men me niet geven maar wel dat het ergens op Spitzbergen zou zijn. Tja, Spitzbergen is nu niet enorm groot maar het is er wel bar koud. Toch ondernam ik de expeditie maar ik wil er de lezers reeds alvast voor verwittigen dat ik hem daar niet persoonlijk heb te pakken gekregen, wel iemand uit zijn omgeving die me enkele nuttige details heeft weten te vertellen. Ik zeg dit maar bij voorbaat opdat teleurgestelde lezers nu al zouden kunnen afhaken, een houding die hier op begrip zal onthaald worden. Het is namelijk zo dat ik iemand ben die niet graag uit zijn nek staat te kletsen met onzin ; ik hou het liever bij de feiten. Ook ben ik niet in staat om zomaar verhaaltjes uit mijn duim te zuigen. Ik ben Shakespeare niet. Voor de moedigen onder u, hier dan mijn reisverslag.
Om in Longyearbyen, de hoofdstad van de archipel te geraken moet je met SAS een lange vlucht maken met tussenstops in Oslo en Tromso. Toen we de luchthaven naderden bleek er al een probleempje want de boordcommandant riep om dat er eerst nog een PUP4 gemaakt diende te worden. Ik wist niet wat dat inhield maar ik merkte dat alle passagiers, allen Noren, zich steviger vastklikten en zich schrap zetten. Dat deed ik dan ook maar en zocht in het magazine bij de veiligheidsvoorschriften wat dit kon betekenen. Het bleek de afkorting te zijn van Polar Urgency Procedure, een procedure waarbij het toestel rakelings en met volle kracht op 30voet (10 meter) over de landingsbaan zou scheren om ijsberen van de baan weg te jagen. Dit bleek een vrij angstaanjagende ervaring te zijn maar toch grotendeels met succes uitgevoerd want onmiddellijk daarna kondigde de piloot aan dat 4 van de 6 beren het op een loopje hadden gezet zodat er slechts 2 overbleven, 2 jongen, waardoor de landing met minder risico kon ingezet worden.
In het luchthavengebouw, eigenlijk niet meer dan een paar houten barakken, vond ik een VVV-balie waar ik informeerde naar het woonoord van Kris Kringle, zoals de Kerstman daar terplaatse genoemd wordt. De dame raadde me aan om naar Hiothhamn te gaan, een twaalftal kilometer verder ten noorden.
“Kan ik hier een auto huren ?”, vroeg ik haar.
“Neen mijnheer”, antwoordde ze, “tussen oktober en mei rijden hier geen auto’s wegens de sneeuw. Maar vlak rechtover het gebouw verhuurt men hondensleeën. Gaat u daar eens een kijkje nemen”.
Dat was een tegenvaller ! Ik weet niet hoe het komt maar ik heb het nooit echt op honden begrepen. En dat schijnt wederkerig te zijn. Honden bekijken me altijd met een blik alsof ik een figuur uit de onderwereld ware dat zelfs over de tong rolde bij de laagste klassen uit dit milieu. Tweemaal werd ik al gebeten door die dieren zonder dat ik ook maar de minste aanleiding daartoe gaf. Het kan te maken hebben met het feit dat ik een kat heb die ’s ochtends altijd mijn broekspijpen komt aaien. Waarschijnlijk ruiken ze dat.
Toen ik de kennel betrad brak er dan ook een oorverdovende kakofonie van geblaf en gehuil op uit al de stallen. Maar de baas des huizes kwam uit zijn kantoor, suste de verontruste dieren met enkele Noorse kreten en vroeg me waarmee hij me van dienst kon zijn.
“Wel, ik ben op zoek naar een vervoermiddel naar Hiothhamn, maar als het kan, liefst geen hondenslee.”
“Tja, veel andere keus is er niet. Ik heb wel nog een antieke slee en een rendier dat ook al lichtjes antiek is maar voor een tochtje naar Hiothhamn is ze nog wel geschikt”
“Span ze dan maar in voor mij.”
“Goed, zal ik doen, maar ik moet u toch waarschuwen voor enkele bijzonderheden aan dit voertuig. Het heeft geen verlichting en geen claxon. Daarom hangen er veel belletjes aan het koetswerk zodat men u tijdig hoort aankomen bij het kruisen van tegenliggende hondensleeën of langlaufers.”
Ik begon te twijfelen of ik de expeditie nog verder zou zetten en beter terugkeren naar huis. Maar ja, ik was nu eenmaal zo ver.
“Bovendien hou je best het jachtgeweer en patronen die ik je zal meegeven, binnen handbereik.”
“Jachtgeweer ???”
“Natuurlijk. Om de wolven op afstand te houden. Wolven zijn verzot op een rendierlapje en het is niet gezegd dat ze na de maaltijd ook nog eens een kwijlende blik in jouw richting gooien. Goed bij de hand houden, dat ding.”
Meer en meer kreeg ik zin om alles af te blazen en terug naar het SAS toestel te stappen dat er nog altijd stond ; maar toen dacht ik aan de ontgoocheling en misschien wel het hoongelach dat me te beurt zou vallen in mijn stamcafé De Gazastrook nadat ik daar nogal flink van katoen had gegeven over mijn aanstaand exploot. Neen, dat kon ik me niet permitteren…
Toch zat ik nog met een nijpend probleempje : de navigatie. Daar is geen bewegwijzering, geen wegmarkering en geen verkeersborden behalve een rode driehoek met daarin een ijsbeer en daaronder de tekst Gjelder hele Svalbard, wat zoveel betekent als “Ge kunt ze overal tegenkomen” .
“Kan ik een kompas meekrijgen ?” vroeg ik ; ik vernam dat Hiorthhamn een heel eind noordwaarts ligt;”
“Ach brave man ; met een kompas kun je hier niks aanvangen. Een kompas toont je de richting van het noorden aan nietwaar ? Welnu, je bent hier al in het noorden ! So what ?”
Ik dacht even na over die wijsheid maar raakte er toch niet goed aan uit.
Terwijl de man mijn slee rijklaar maakte, slenterde ik naar een kapelletje om een kaarsje te branden voor de heilige Christoffel, patroon van de reizigers, maar daar waren geen heiligen te zien en ook geen kaarsjes. Een uurtje later gleed ik met mijn rendier de vallende poolnacht in. Ik was er helemaal niet gerust in en tot overmaat van ramp speelde een lied van Drs. P door mijn hersenen. Met name De Dodenrit…
(Einde deel 1. Morgen of daaromtrent het vervolg)
http://www.youtube.com/watch?v=i4IXKEgE8oM
Nu de Kerstman weer ten tonele is verschenen, loont het misschien de moeite om wat meer over hem te weten te komen. Reeds in oktober ben ik ernaar op zoek gegaan omdat ik hoopte hem nog thuis te vinden alvorens hij aan zijn eindejaarsactiviteiten zou beginnen. Dit verliep niet van een leien dakje. Vooreerst “thuis”, waar is dat ergens ? Ik had een sterk vermoeden dat dit wel in het Hoge Noorden zou zijn, Scandinavië dus, en daarom had ik me gewend tot de ambassades van die landen. Denemarken sloeg ik over. Niet hoog genoeg. De Finnen wisten van toeten noch blazen en de Zweden konden me wel het adres geven van Pippi Längstrump maar daar schoot ik geen moer mee op. Uiteindelijk kwam ik bij de Noren terecht en ja, daar werd ik wel wat wijzer. Een precies adres kon men me niet geven maar wel dat het ergens op Spitzbergen zou zijn. Tja, Spitzbergen is nu niet enorm groot maar het is er wel bar koud. Toch ondernam ik de expeditie maar ik wil er de lezers reeds alvast voor verwittigen dat ik hem daar niet persoonlijk heb te pakken gekregen, wel iemand uit zijn omgeving die me enkele nuttige details heeft weten te vertellen. Ik zeg dit maar bij voorbaat opdat teleurgestelde lezers nu al zouden kunnen afhaken, een houding die hier op begrip zal onthaald worden. Het is namelijk zo dat ik iemand ben die niet graag uit zijn nek staat te kletsen met onzin ; ik hou het liever bij de feiten. Ook ben ik niet in staat om zomaar verhaaltjes uit mijn duim te zuigen. Ik ben Shakespeare niet. Voor de moedigen onder u, hier dan mijn reisverslag.
Om in Longyearbyen, de hoofdstad van de archipel te geraken moet je met SAS een lange vlucht maken met tussenstops in Oslo en Tromso. Toen we de luchthaven naderden bleek er al een probleempje want de boordcommandant riep om dat er eerst nog een PUP4 gemaakt diende te worden. Ik wist niet wat dat inhield maar ik merkte dat alle passagiers, allen Noren, zich steviger vastklikten en zich schrap zetten. Dat deed ik dan ook maar en zocht in het magazine bij de veiligheidsvoorschriften wat dit kon betekenen. Het bleek de afkorting te zijn van Polar Urgency Procedure, een procedure waarbij het toestel rakelings en met volle kracht op 30voet (10 meter) over de landingsbaan zou scheren om ijsberen van de baan weg te jagen. Dit bleek een vrij angstaanjagende ervaring te zijn maar toch grotendeels met succes uitgevoerd want onmiddellijk daarna kondigde de piloot aan dat 4 van de 6 beren het op een loopje hadden gezet zodat er slechts 2 overbleven, 2 jongen, waardoor de landing met minder risico kon ingezet worden.
In het luchthavengebouw, eigenlijk niet meer dan een paar houten barakken, vond ik een VVV-balie waar ik informeerde naar het woonoord van Kris Kringle, zoals de Kerstman daar terplaatse genoemd wordt. De dame raadde me aan om naar Hiothhamn te gaan, een twaalftal kilometer verder ten noorden.
“Kan ik hier een auto huren ?”, vroeg ik haar.
“Neen mijnheer”, antwoordde ze, “tussen oktober en mei rijden hier geen auto’s wegens de sneeuw. Maar vlak rechtover het gebouw verhuurt men hondensleeën. Gaat u daar eens een kijkje nemen”.
Dat was een tegenvaller ! Ik weet niet hoe het komt maar ik heb het nooit echt op honden begrepen. En dat schijnt wederkerig te zijn. Honden bekijken me altijd met een blik alsof ik een figuur uit de onderwereld ware dat zelfs over de tong rolde bij de laagste klassen uit dit milieu. Tweemaal werd ik al gebeten door die dieren zonder dat ik ook maar de minste aanleiding daartoe gaf. Het kan te maken hebben met het feit dat ik een kat heb die ’s ochtends altijd mijn broekspijpen komt aaien. Waarschijnlijk ruiken ze dat.
Toen ik de kennel betrad brak er dan ook een oorverdovende kakofonie van geblaf en gehuil op uit al de stallen. Maar de baas des huizes kwam uit zijn kantoor, suste de verontruste dieren met enkele Noorse kreten en vroeg me waarmee hij me van dienst kon zijn.
“Wel, ik ben op zoek naar een vervoermiddel naar Hiothhamn, maar als het kan, liefst geen hondenslee.”
“Tja, veel andere keus is er niet. Ik heb wel nog een antieke slee en een rendier dat ook al lichtjes antiek is maar voor een tochtje naar Hiothhamn is ze nog wel geschikt”
“Span ze dan maar in voor mij.”
“Goed, zal ik doen, maar ik moet u toch waarschuwen voor enkele bijzonderheden aan dit voertuig. Het heeft geen verlichting en geen claxon. Daarom hangen er veel belletjes aan het koetswerk zodat men u tijdig hoort aankomen bij het kruisen van tegenliggende hondensleeën of langlaufers.”
Ik begon te twijfelen of ik de expeditie nog verder zou zetten en beter terugkeren naar huis. Maar ja, ik was nu eenmaal zo ver.
“Bovendien hou je best het jachtgeweer en patronen die ik je zal meegeven, binnen handbereik.”
“Jachtgeweer ???”
“Natuurlijk. Om de wolven op afstand te houden. Wolven zijn verzot op een rendierlapje en het is niet gezegd dat ze na de maaltijd ook nog eens een kwijlende blik in jouw richting gooien. Goed bij de hand houden, dat ding.”
Meer en meer kreeg ik zin om alles af te blazen en terug naar het SAS toestel te stappen dat er nog altijd stond ; maar toen dacht ik aan de ontgoocheling en misschien wel het hoongelach dat me te beurt zou vallen in mijn stamcafé De Gazastrook nadat ik daar nogal flink van katoen had gegeven over mijn aanstaand exploot. Neen, dat kon ik me niet permitteren…
Toch zat ik nog met een nijpend probleempje : de navigatie. Daar is geen bewegwijzering, geen wegmarkering en geen verkeersborden behalve een rode driehoek met daarin een ijsbeer en daaronder de tekst Gjelder hele Svalbard, wat zoveel betekent als “Ge kunt ze overal tegenkomen” .
“Kan ik een kompas meekrijgen ?” vroeg ik ; ik vernam dat Hiorthhamn een heel eind noordwaarts ligt;”
“Ach brave man ; met een kompas kun je hier niks aanvangen. Een kompas toont je de richting van het noorden aan nietwaar ? Welnu, je bent hier al in het noorden ! So what ?”
Ik dacht even na over die wijsheid maar raakte er toch niet goed aan uit.
Terwijl de man mijn slee rijklaar maakte, slenterde ik naar een kapelletje om een kaarsje te branden voor de heilige Christoffel, patroon van de reizigers, maar daar waren geen heiligen te zien en ook geen kaarsjes. Een uurtje later gleed ik met mijn rendier de vallende poolnacht in. Ik was er helemaal niet gerust in en tot overmaat van ramp speelde een lied van Drs. P door mijn hersenen. Met name De Dodenrit…
(Einde deel 1. Morgen of daaromtrent het vervolg)
http://www.youtube.com/watch?v=i4IXKEgE8oM