Om te vermijden steeds een nieuw onderwerp te moeten starten als het over een andere gebeurtenis gaat en ook om Columns en Kolder hier niet te overladen, deze vergaarbak waar iedereen zijn ei kwijt kan zonder off-topic te gaan. Een beetje (veel) een ding zoals Prullenbak/Allegaartjes.
H O T E L P E R I K E L E N
Dingen veranderen met de tijd. Zo kun je nu met een hogesnelheidstrein van Brussel naar Parijs rijden in minder dan anderhalf uur. Vroeger duurde dat veel langer. In die vroegere tijd was ik met mijn zoon en dochter, adolescenten toenmaals, voor een driedaagse uitstap naar de lichtstad gereden. ’s Ochtends heel vroeg vertrokken uit ons dorp en pas rond de middag in het hotel aangekomen. Ik was echt vermoeid en mijn huid stond strak van te weinig slaap. Het was dan ook een opluchting vast te stellen dat er een verfrissingsdoekje in de badkamer klaarlag. Je kent die dingen wel, kleine dunne pakjes die je openscheurt en waaruit dan een papieren servetje tevoorschijn komt, doordrenkt met heerlijk geurende eau-de-cologne of een ander parfum. Zonder dralen opende ik het en wreef mijn aangezicht in met het weldadige goedje. Nu moet ik toegeven dat dit wel een voor mij onbekend parfum was maar ja, dat was wellicht toe te schrijven aan mijn onkunde als jongen van den buiten, aan het feit dat ik natuurlijk niet vertrouwd was met de cosmetische geplogenheden van de Parijse beau monde. Ik wreef maar rustig door.
Maar toch kreeg ik de indruk dat hier iets niet klopte. Mijn huid begon nog strakker te staan zodanig dat de spieren van mijn gezicht moeite kregen om ze op normale manier aan het werk te krijgen. Ik keek dan even op de verpakking waarop iets in het Frans stond want dat is daar de omgangstaal : “CIRAGE”, bij ons heet dat schoensmeer. En daaronder in kleinere lettertjes : “pour chaussures brillantes”. Onmiddellijk poogde ik dit smeersel met water te verwijderen maar dat was nutteloos. Dan maar met een droge handdoek geprobeerd maar dat bleek nu precies wat men niet moet doen want daardoor begon mijn snuit pas “brillante” te worden. Ik zou gevloekt hebben maar ik kon niet want ik kon geen spier van mijn kaken meer verroeren ; mijn mond lag in een vaste plooi van misprijzen en verontwaardiging.
Kijk, dit is nu één van die vele nefaste facetten van de progressieven ; ze stoppen dingen in verpakkingen die daar niet voor bedoeld zijn ! In zo’n zakje hoort eau de cologne en niets anders ! Toch zeker niet in die tijd ! In die tijd waren die doekjes voorbehouden aan luchtvaartmaatschappijen die ze uitdeelden tijdens de vlucht. Punt. En ze waren dan ook gegeerd als statussymbool door de passagiers die ze gewoonlijk meepikten naar huis om ze dan eens achteloos boven te halen in gezelschap zodat omstaanders zagen dat ze een vliegtuigreis achter de rug hadden. Een luchtvaartmaatschappij die het zou gewaagd hebben doekjes rond te delen met schoensmeer zou ’s anderendaags de boeken kunnen dicht doen.
In die tijd, en daarover spreken we nu, werd schoensmeer verpakt in platte blikken dozen met een typisch draaislotje en dat heette “ça-va-seul”. Wie een doosje ça-va-seul opende wist wat hij zou vinden en zou krankzinnig zijn als hij daar zijn lijf zou mee insmeren, laten we ernstig blijven. Dit leidde nergens tot misverstanden. Geen producent daarvan zou het in zijn hoofd halen om daar bijvoorbeeld smeerkaasjes in te stoppen. Voor die dingen had men “La Vache qui rit”. Dat waren tenminste zekerheden.
Ook verwierp ik de idee dat het hier om een Franse mop ging want die zou helemaal humorloos zijn geweest. Wat ik wel degelijk misplaatst vond was het schaterlachen van zoon en dochter toen ik terug uit de badkamer kwam want ik heb altijd al een hekel gehad aan dit soort misplaatste humor en zeker als ik er dan nog het onderwerp van ben. Maar lang hebben ze niet geschaterd want toen het bij hen begon door te sijpelen dat ze met die “wandelende lantaarn”, dixit de zoon, straks de straat opmoesten verging hen vlug het lachen.
Uiteindelijk verliep alles nog redelijk. Het verzoek van mijn dochter om vijftig meter achter haar te lopen, zoals prins Filip deed met Marie-Rose Morel bij zijn handelsmissie in China, verwierp ik categoriek. Wel enige discussie aan het Louvre waar binnenin geen flitslampen mochten gebruikt worden en een suppoost mij omschreef als een continue flits. Maar met een sjaal over mijn hoofd mocht ik er toch in. In de Moulin Rouge echter werd ik geweigerd omdat ik teveel de aandacht van de scène zou afgeleid hebben.
Het is echt oppassen geblazen met die moderniteiten.
H O T E L P E R I K E L E N
Dingen veranderen met de tijd. Zo kun je nu met een hogesnelheidstrein van Brussel naar Parijs rijden in minder dan anderhalf uur. Vroeger duurde dat veel langer. In die vroegere tijd was ik met mijn zoon en dochter, adolescenten toenmaals, voor een driedaagse uitstap naar de lichtstad gereden. ’s Ochtends heel vroeg vertrokken uit ons dorp en pas rond de middag in het hotel aangekomen. Ik was echt vermoeid en mijn huid stond strak van te weinig slaap. Het was dan ook een opluchting vast te stellen dat er een verfrissingsdoekje in de badkamer klaarlag. Je kent die dingen wel, kleine dunne pakjes die je openscheurt en waaruit dan een papieren servetje tevoorschijn komt, doordrenkt met heerlijk geurende eau-de-cologne of een ander parfum. Zonder dralen opende ik het en wreef mijn aangezicht in met het weldadige goedje. Nu moet ik toegeven dat dit wel een voor mij onbekend parfum was maar ja, dat was wellicht toe te schrijven aan mijn onkunde als jongen van den buiten, aan het feit dat ik natuurlijk niet vertrouwd was met de cosmetische geplogenheden van de Parijse beau monde. Ik wreef maar rustig door.
Maar toch kreeg ik de indruk dat hier iets niet klopte. Mijn huid begon nog strakker te staan zodanig dat de spieren van mijn gezicht moeite kregen om ze op normale manier aan het werk te krijgen. Ik keek dan even op de verpakking waarop iets in het Frans stond want dat is daar de omgangstaal : “CIRAGE”, bij ons heet dat schoensmeer. En daaronder in kleinere lettertjes : “pour chaussures brillantes”. Onmiddellijk poogde ik dit smeersel met water te verwijderen maar dat was nutteloos. Dan maar met een droge handdoek geprobeerd maar dat bleek nu precies wat men niet moet doen want daardoor begon mijn snuit pas “brillante” te worden. Ik zou gevloekt hebben maar ik kon niet want ik kon geen spier van mijn kaken meer verroeren ; mijn mond lag in een vaste plooi van misprijzen en verontwaardiging.
Kijk, dit is nu één van die vele nefaste facetten van de progressieven ; ze stoppen dingen in verpakkingen die daar niet voor bedoeld zijn ! In zo’n zakje hoort eau de cologne en niets anders ! Toch zeker niet in die tijd ! In die tijd waren die doekjes voorbehouden aan luchtvaartmaatschappijen die ze uitdeelden tijdens de vlucht. Punt. En ze waren dan ook gegeerd als statussymbool door de passagiers die ze gewoonlijk meepikten naar huis om ze dan eens achteloos boven te halen in gezelschap zodat omstaanders zagen dat ze een vliegtuigreis achter de rug hadden. Een luchtvaartmaatschappij die het zou gewaagd hebben doekjes rond te delen met schoensmeer zou ’s anderendaags de boeken kunnen dicht doen.
In die tijd, en daarover spreken we nu, werd schoensmeer verpakt in platte blikken dozen met een typisch draaislotje en dat heette “ça-va-seul”. Wie een doosje ça-va-seul opende wist wat hij zou vinden en zou krankzinnig zijn als hij daar zijn lijf zou mee insmeren, laten we ernstig blijven. Dit leidde nergens tot misverstanden. Geen producent daarvan zou het in zijn hoofd halen om daar bijvoorbeeld smeerkaasjes in te stoppen. Voor die dingen had men “La Vache qui rit”. Dat waren tenminste zekerheden.
Ook verwierp ik de idee dat het hier om een Franse mop ging want die zou helemaal humorloos zijn geweest. Wat ik wel degelijk misplaatst vond was het schaterlachen van zoon en dochter toen ik terug uit de badkamer kwam want ik heb altijd al een hekel gehad aan dit soort misplaatste humor en zeker als ik er dan nog het onderwerp van ben. Maar lang hebben ze niet geschaterd want toen het bij hen begon door te sijpelen dat ze met die “wandelende lantaarn”, dixit de zoon, straks de straat opmoesten verging hen vlug het lachen.
Uiteindelijk verliep alles nog redelijk. Het verzoek van mijn dochter om vijftig meter achter haar te lopen, zoals prins Filip deed met Marie-Rose Morel bij zijn handelsmissie in China, verwierp ik categoriek. Wel enige discussie aan het Louvre waar binnenin geen flitslampen mochten gebruikt worden en een suppoost mij omschreef als een continue flits. Maar met een sjaal over mijn hoofd mocht ik er toch in. In de Moulin Rouge echter werd ik geweigerd omdat ik teveel de aandacht van de scène zou afgeleid hebben.
Het is echt oppassen geblazen met die moderniteiten.