Nota van de moderator: Naar aanleiding van het overlijden van Frido werd deze topic afgesloten en zijn registratie verwijderd uit de gebruikerslijst.
Als eerbetoon bewaren we deze topic en de gedichten in poëzie.
Ergens in het Vlaamse land moest een rusthuis voor bejaarden uitgebreid worden. Daartoe diende achteraan een tuintje opgedoekt met diverse bloemen en sierstruiken, ondermeer een buxusplant.
Om dit struikje niet te laten verdwijnen als afval in het containerpark, gaf ik het een nieuw leven in een park van een kasteel, naast een vuurdoornstruik. Struiken gaf ik menselijke trekjes of...het konden ook mensen zijn, die een nieuwe omgeving meemaken.
B U R E N sprookje over een Buxusplant en een Vuurdoornstruik .
________ -----------------------------------------------------------------
Zij stonden al sinds gisteren naast mekaar, zonder één woord, zonder één gebaar.
Een late oktoberzon deed zijn levenssap door zijn takken roeren, veel prettiger dan tevoren.
“Ik vind je sympathiek” lachte hij stilletjes.
Zij schrok zodanig dat haar blaadjes bloosden en zij geen woord door haar stengels kreeg.
“Hoe heet jij?” drong hij aan op enig contact. Meer uit belangstelling dan uit beleefdheid.
“Buxus” fluisterde ze.
“Och ja, de familie van de Buxaceae. Dat herinner ik mij nog van een gesprek met de parkwachter.”
Buxus zweeg, totaal onder de indruk van zijn voorname kennis.
Van haar voorouders had zij niet de minste weet.
“Ik noem Vuurdoorn” trachtte hij het gesprek beter op gang te brengen.
In zijn vertrouwde en rustige omgeving was hij al gegroeid tot een volwassen struik. Met zijn wortels pal op de hoek van een bosweg, die kromde van het kasteel naar de lager gelegen vijver. Helemaal achteraan het bebloemde park.
Hij kon zijn genoegen niet verbergen om Buxus als nieuwe buurvrouw te mogen begroeten.
“Waar kom jij vandaan?” wou Vuurdoorn weten.
Buxus leek eensklaps bewust van haar nieuwe woonplaats.
Urenlang had zij stilletjes geweend. Eerst geprangd in een nauwe, juten zak, waarin zij voortdurend naar adem hapte. Om dan, doodmoe van verdriet, in te slapen in de kille grond, waarin zij werd ingeduwd.
“Uit een tuin, achteraan een heel groot gebouw” mijmerde zij.
Vuurdoorn fronste zijn bladeren rond zijn puntige stekels en trachtte zich in gedachten haar vroegere woonplaats voor te stellen.
“Ook een kasteel?” juichte hij bijna.
Maar omdat zij van een kasteel nog nooit had gehoord, verborg zij haar onwetendheid in een schuchter schouderophalen.
“Het is wel spijtig” zuchtte Vuurdoorn” dat het zomerseizoen al geruime tijd voorbij is en dat niet alleen alle poorten en deuren gesloten zijn, doch ook elke omgeving van het park. Geen enkele bezoeker meer, tenzij de naarstige tuinman en de norse boswachter. Het is wel wennen aan de herfst en de stilte.”
“Rond mijn kasteel is het nooit stil geweest” zei Buxus.
Vuurdoorn rook een klein misverstand.
“Hebben er bij ook ridders geleefd vroeger?” wou de Vuurdoorn weten.
“Ridders ?? Ik denk het wel” zei de Buxus “veel vrouwen met een blauw kleed over een wit hemd en sommigen met een kapje, dat met een sluier over hun achterhoofd hing. En verder heb ik nog mensen gezien, die met een stok gingen of in een wagentje voortgeduwd werden door de ridders.”
Vuurdoorn barste in een schaterlach uit zodat een merel verschrikt opvloog van een hoop afgevallen bladeren.
Buxus voelde schaamrood door al haar blaadjes vloeien. Ze wendde haar kruin af van Vuurdoorn en zweeg.
Minutenlang was het stil rond beide struiken.
Vuurdoorn verbrak de onaangename stilte en zei sussend:
“Ik denk dat je een rusthuis bedoelt” wist Vuurdoorn, want hij had vroeger een gesprek afgeluisterd tussen de tuinman en de boswachter. De eerste verklapte dat hij naar een rusthuis wou als zijn knoken het niet meer toelieten om de bloemen en de planten te verzorgen. Maar de boswachter zwoer dat hij zijn laatste adem zal uitblazen met zijn hoofd op een afgeplatte boomstronk en zijn voeten op een bed van konijnenkeutels.
Buxus keerde haar kruin weer naar Vuurdoorn toe en knikte begrijpend.
“Ik heb zo het gevoel” ging Vuurdoorn verder “ dat je wel een eentonig leven hebt geleid tot hiertoe. Ik bedoel niets verkeerd, maar voor mij liggen er elk jaar enkele maanden weggelegd, waar ik mij kostelijk kan amuseren. Neem de periode, waarop bezoekers van het kasteel hierlangs passeren. Een bonte mengeling is dat telkens. En het meest amuseer ik mij als er een troep kinderen in de buurt is. Vrolijk huppelende kleuters, die dan een liedje zingen, zo van:
“In een klein stationnetje, ’s morgens in de vroegte
stonden zeven wagentjes…”
“Negen” onderbrak Buxus zijn gezang.
“Nee, lieve meid, ik heb het goed onthouden dat de kinderen heel duidelijk wisten dat er zeven wagentjes in het stationnetje stonden”
Vuurdoorn kromp zijn stekels in een krul om zijn gelijk te bevestigen.
“Trouwens” wilde hij weten “hoe kom jij aan de woorden van dit liedje, als je dag in dag uit staan kijken hebt op een volwassen wereld. Je hebt het daarstraks zelf gezegd.”
“Ik heb nooit kinderen gezien maar wel hun stemmetjes gehoord, van achter de hoek van ‘n
gebouw, waar dikwijls de vensters op een kiertje stonden. Prettig om horen, Vuurdoorn. En als alles stil werd en mijn blaadjes geen enkel geluid van die kant konden opvangen, stapte een vrouw met blauw kleed en witte hemdsmouwen glimlachend een deur binnen, welke ik kon zien als ik op de tippen van mijn wortels ging staan.”
“Was er dan nooit iemand, die jou kwam strelen?”
Buxus dacht even diep na en herinnerde zich een man, die elke dag aan haar passeerde en dan zijn zachte hand over haar blaadjes liet glijden. Zij wist nog zo goed dat op een keer een boek met bruine omslag vanonder zijn arm viel terwijl zijn voorhoofd haar kruin raakte toen hij het boek opraapte.
Op een bank, een paar meter van Buxus verwijderd, onderdrukte een oude man een onbeleefd lachje, terwijl hij met opgeheven hand riep “goeie morgen, pater.”
Vuurdoorn had aandachtig geluisterd maar toch kon hij een tikkeltje jaloersheid niet wegsteken.
“Gelukzak” boog hij zijn kruin “niemand durft mij strelen of aanraken, want ieder mens heeft schrik voor de bos van stekelige stengels, ook als de tijd rijp is dat ik witte trossen geurige bessen kan tonen. Ik mag natuurlijk geen steen en been klagen, want de vogels voelen zich veilig om rond mijn stam hun nest te bouwen. Vooral de merels kiezen mij daarvoor uit.”
Nu was het de beurt aan Buxus om jaloers te worden, want geen enkel vogeltje waagde het om door haar dichtbegroeide bladerbos door te dringen. Zelfs het fraaie roodborstje niet, noch het levendige winterkoninkje.
“Waarom ben je ginds niet gebleven?” wou Vuurdoorn wel weten.
Buxus schudde onbegrijpelijk haar groene kruin.
Zij herinnerde zich vaag dat een stenen vogel op één poot van het gazon werd weggeplukt en dat het vijvertje naast hem werd leeggezogen. En toe kwam er van alle kanten een oorverdovend geluid van grote dieren op rollende poten. En mannen met een ronde bloempot op hun hoofd wezen met opgestoken vinger naar de lucht en naar de grond.
“Toch wens ik daar eenmaal terug te keren” mijmerde Buxus.
“Ik zal vragen aan de tuinman dat hij je hier heel gelukkig mag maken en ikzelf zal steeds jouw goede vriend blijven.”
Vuurdoorn werd een ogenblik warm van binnen.
Buxus voelde traantjes over haar blaadjes rollen.
Pareltjes van tevredenheid.
Als eerbetoon bewaren we deze topic en de gedichten in poëzie.
Ergens in het Vlaamse land moest een rusthuis voor bejaarden uitgebreid worden. Daartoe diende achteraan een tuintje opgedoekt met diverse bloemen en sierstruiken, ondermeer een buxusplant.
Om dit struikje niet te laten verdwijnen als afval in het containerpark, gaf ik het een nieuw leven in een park van een kasteel, naast een vuurdoornstruik. Struiken gaf ik menselijke trekjes of...het konden ook mensen zijn, die een nieuwe omgeving meemaken.
B U R E N sprookje over een Buxusplant en een Vuurdoornstruik .
________ -----------------------------------------------------------------
Zij stonden al sinds gisteren naast mekaar, zonder één woord, zonder één gebaar.
Een late oktoberzon deed zijn levenssap door zijn takken roeren, veel prettiger dan tevoren.
“Ik vind je sympathiek” lachte hij stilletjes.
Zij schrok zodanig dat haar blaadjes bloosden en zij geen woord door haar stengels kreeg.
“Hoe heet jij?” drong hij aan op enig contact. Meer uit belangstelling dan uit beleefdheid.
“Buxus” fluisterde ze.
“Och ja, de familie van de Buxaceae. Dat herinner ik mij nog van een gesprek met de parkwachter.”
Buxus zweeg, totaal onder de indruk van zijn voorname kennis.
Van haar voorouders had zij niet de minste weet.
“Ik noem Vuurdoorn” trachtte hij het gesprek beter op gang te brengen.
In zijn vertrouwde en rustige omgeving was hij al gegroeid tot een volwassen struik. Met zijn wortels pal op de hoek van een bosweg, die kromde van het kasteel naar de lager gelegen vijver. Helemaal achteraan het bebloemde park.
Hij kon zijn genoegen niet verbergen om Buxus als nieuwe buurvrouw te mogen begroeten.
“Waar kom jij vandaan?” wou Vuurdoorn weten.
Buxus leek eensklaps bewust van haar nieuwe woonplaats.
Urenlang had zij stilletjes geweend. Eerst geprangd in een nauwe, juten zak, waarin zij voortdurend naar adem hapte. Om dan, doodmoe van verdriet, in te slapen in de kille grond, waarin zij werd ingeduwd.
“Uit een tuin, achteraan een heel groot gebouw” mijmerde zij.
Vuurdoorn fronste zijn bladeren rond zijn puntige stekels en trachtte zich in gedachten haar vroegere woonplaats voor te stellen.
“Ook een kasteel?” juichte hij bijna.
Maar omdat zij van een kasteel nog nooit had gehoord, verborg zij haar onwetendheid in een schuchter schouderophalen.
“Het is wel spijtig” zuchtte Vuurdoorn” dat het zomerseizoen al geruime tijd voorbij is en dat niet alleen alle poorten en deuren gesloten zijn, doch ook elke omgeving van het park. Geen enkele bezoeker meer, tenzij de naarstige tuinman en de norse boswachter. Het is wel wennen aan de herfst en de stilte.”
“Rond mijn kasteel is het nooit stil geweest” zei Buxus.
Vuurdoorn rook een klein misverstand.
“Hebben er bij ook ridders geleefd vroeger?” wou de Vuurdoorn weten.
“Ridders ?? Ik denk het wel” zei de Buxus “veel vrouwen met een blauw kleed over een wit hemd en sommigen met een kapje, dat met een sluier over hun achterhoofd hing. En verder heb ik nog mensen gezien, die met een stok gingen of in een wagentje voortgeduwd werden door de ridders.”
Vuurdoorn barste in een schaterlach uit zodat een merel verschrikt opvloog van een hoop afgevallen bladeren.
Buxus voelde schaamrood door al haar blaadjes vloeien. Ze wendde haar kruin af van Vuurdoorn en zweeg.
Minutenlang was het stil rond beide struiken.
Vuurdoorn verbrak de onaangename stilte en zei sussend:
“Ik denk dat je een rusthuis bedoelt” wist Vuurdoorn, want hij had vroeger een gesprek afgeluisterd tussen de tuinman en de boswachter. De eerste verklapte dat hij naar een rusthuis wou als zijn knoken het niet meer toelieten om de bloemen en de planten te verzorgen. Maar de boswachter zwoer dat hij zijn laatste adem zal uitblazen met zijn hoofd op een afgeplatte boomstronk en zijn voeten op een bed van konijnenkeutels.
Buxus keerde haar kruin weer naar Vuurdoorn toe en knikte begrijpend.
“Ik heb zo het gevoel” ging Vuurdoorn verder “ dat je wel een eentonig leven hebt geleid tot hiertoe. Ik bedoel niets verkeerd, maar voor mij liggen er elk jaar enkele maanden weggelegd, waar ik mij kostelijk kan amuseren. Neem de periode, waarop bezoekers van het kasteel hierlangs passeren. Een bonte mengeling is dat telkens. En het meest amuseer ik mij als er een troep kinderen in de buurt is. Vrolijk huppelende kleuters, die dan een liedje zingen, zo van:
“In een klein stationnetje, ’s morgens in de vroegte
stonden zeven wagentjes…”
“Negen” onderbrak Buxus zijn gezang.
“Nee, lieve meid, ik heb het goed onthouden dat de kinderen heel duidelijk wisten dat er zeven wagentjes in het stationnetje stonden”
Vuurdoorn kromp zijn stekels in een krul om zijn gelijk te bevestigen.
“Trouwens” wilde hij weten “hoe kom jij aan de woorden van dit liedje, als je dag in dag uit staan kijken hebt op een volwassen wereld. Je hebt het daarstraks zelf gezegd.”
“Ik heb nooit kinderen gezien maar wel hun stemmetjes gehoord, van achter de hoek van ‘n
gebouw, waar dikwijls de vensters op een kiertje stonden. Prettig om horen, Vuurdoorn. En als alles stil werd en mijn blaadjes geen enkel geluid van die kant konden opvangen, stapte een vrouw met blauw kleed en witte hemdsmouwen glimlachend een deur binnen, welke ik kon zien als ik op de tippen van mijn wortels ging staan.”
“Was er dan nooit iemand, die jou kwam strelen?”
Buxus dacht even diep na en herinnerde zich een man, die elke dag aan haar passeerde en dan zijn zachte hand over haar blaadjes liet glijden. Zij wist nog zo goed dat op een keer een boek met bruine omslag vanonder zijn arm viel terwijl zijn voorhoofd haar kruin raakte toen hij het boek opraapte.
Op een bank, een paar meter van Buxus verwijderd, onderdrukte een oude man een onbeleefd lachje, terwijl hij met opgeheven hand riep “goeie morgen, pater.”
Vuurdoorn had aandachtig geluisterd maar toch kon hij een tikkeltje jaloersheid niet wegsteken.
“Gelukzak” boog hij zijn kruin “niemand durft mij strelen of aanraken, want ieder mens heeft schrik voor de bos van stekelige stengels, ook als de tijd rijp is dat ik witte trossen geurige bessen kan tonen. Ik mag natuurlijk geen steen en been klagen, want de vogels voelen zich veilig om rond mijn stam hun nest te bouwen. Vooral de merels kiezen mij daarvoor uit.”
Nu was het de beurt aan Buxus om jaloers te worden, want geen enkel vogeltje waagde het om door haar dichtbegroeide bladerbos door te dringen. Zelfs het fraaie roodborstje niet, noch het levendige winterkoninkje.
“Waarom ben je ginds niet gebleven?” wou Vuurdoorn wel weten.
Buxus schudde onbegrijpelijk haar groene kruin.
Zij herinnerde zich vaag dat een stenen vogel op één poot van het gazon werd weggeplukt en dat het vijvertje naast hem werd leeggezogen. En toe kwam er van alle kanten een oorverdovend geluid van grote dieren op rollende poten. En mannen met een ronde bloempot op hun hoofd wezen met opgestoken vinger naar de lucht en naar de grond.
“Toch wens ik daar eenmaal terug te keren” mijmerde Buxus.
“Ik zal vragen aan de tuinman dat hij je hier heel gelukkig mag maken en ikzelf zal steeds jouw goede vriend blijven.”
Vuurdoorn werd een ogenblik warm van binnen.
Buxus voelde traantjes over haar blaadjes rollen.
Pareltjes van tevredenheid.