Nadat ik een verhaaltje plaatste in Openbaar debat / Overige discussies onder de topic: Die goeie ouwe tijd, stuurde moderator Tilly mij een mailtje met een verzoek.
- September 1939 : Algemene mobilisatie!
-Koekelberg
Jos Gijsen heeft gelijk! Er bestaat een wezenlijk verschil tussen de mensen die de oorlog wel en zij die hem niet hebben meegemaakt.
Diegenen die de oorlog niet hebben gekend zijn duidelijk jonger en hebben hem niet aan den lijve ondervonden. Daarom is een oorlog iets dat men moeilijk kan uitleggen.
Als mensen die hem wél hebben meegemaakt, er over praten begrijpen ze elkaar instinctief en weten dadelijk waarover het gaat. Jongeren doen hun best om het hoe en waarom te verstaan maar kunnen zich maar moeilijk in bepaalde situaties inleven.
Ze weten niet wat het is om te leven onder de bezetting, in een atmosfeer van angst en beperkingen.
Iedereen lijdt eronder. De volwassenen nog meer dan de kinderen denk ik.
Ik heb vaak geprobeerd om te weten te komen wat nu eigelijk de meeste verre herinnering is die ik heb.
Hoe de oorlog voor ons eigenlijk begon weet ik niet meer, maar één bepaalde gebeurtenis, die duidelijk nog moet hebben plaatsgevonden vóór het uitbreken van die oorlog, staat me nog vrij scherp voor de geest.
Ik ben bijna vier jaar en Mil, mijn broer, drie, als ma ons die zondagochtend meeneemt naar Koekelberg.
Op het grote grasplein rond de basiliek zitten vele Belgische soldaten in bosjes bij elkaar op de vochtige grond. Ze hebben hun geweren met de lopen tegen elkaar rechtop gezet. Het lijken wel kleine indianententjes.
Ma neemt ons bij de hand en gaat op zoekt tussen de vele groepjes. Ze vindt pa bij de kerk waar hij samen met enkele kameraden tegen de muur aanleunt.
Hij heeft ons blijkbaar niet verwacht. Met een kreet van vreugde neemt hij ma even vast en daarna tilt hij mijn broer en ik gelijktijdig op alsof we twee pluimpjes zijn, zo licht.
Wij zitten nu elk op één van zijn armen. Onze gezichten héél dicht bij hem.
De man ruikt naar aarde en nat gras.
Het kaki soldatenkostuum voelt erg ruw aan en schuurt onze blote billetjes rood.
Wat ons aan pa het meeste opvalt is zijn soldatenmuts. Ze lijkt precies een omgekeerd bootje waar vooraan een rode flos bengelt die bij elke beweging heen en weer wiebelt over zijn voorhoofd.
We mogen tussen hem en ma op de grond zitten bij de soldaten en andere mensen met kinderen.
Hij ravot met ons, rolt over het gras en wij springen bovenop hem en rijden paardje op zijn rug.
Om beurten zet hij het rare bootje op zijn en onze hoofden. Wij schateren het uit.
“Ik heb honger,” zegt pa.
Ma haalt boterhammen uit haar tas die we samen snel verorberen. Ze heeft ook nog een blikken doos met koekjes mee voor pa. De doos blijft dicht maar pa laat ons eens proeven van zijn rantsoen soldatenkoeken. Die koeken zijn beenhard en proeven naar karton.
Ma en pa strekken zich languit op het groene plein terwijl wij nog wat spelen met de andere kinderen.
Het wordt een kort afscheid want plots weerklinken de schelle tonen van een klaroen en moeten de mannen verzamelen. De soldaten lopen naar de indianententjes en breken ze snel af.
Haastig geeft pa een kus op de mond van ma en strijkt nog even met zijn zware hand door onze haren.
Daarna is hij weg.
Even later, in het gelid, de helm op het hoofd en het geweer op de schouder, marcheren alle soldaten de brede laan voor de Basiliek op.
Mijn broer en ik beseffen niet wat er gebeurt en weten niet wanneer we pa nog terug zullen zien. Later zal blijken dat dit pas binnen negen maanden is.
Als ze uit het zicht verdwijnen merken we pas dat Mil nog steeds de soldatenmuts met rode flos op zijn kop heeft. Zijn witte haren steken fel af tegen de kaki kleur van het hoofddeksel.
Vliegensvlug ritst ma de muts van zijn hoofd en wil de soldaten achterna hollen maar ziet nog net de troep wegdraaien achter de hoek.
Er blinkt er een traan in haar ogen wanneer ze ons bij de hand neemt Ze bijt op haar onderlip en zet de muts weer op Mil zijn witte kop.
“Jij bent de kleinste,” zegt ze, “ hou jij ze maar…”
Ik ben niet zo een groot schrijver als de meeste onder jullie op dit forum maar mijn nieuwsgierigheid heeft het gehaald van mijn schroom en daarom gooi ik het maar voor de leeuwen…Tilly schreef:Beste fikske,
Mag ik je vragen om deze verhalen te plaatsen in een nieuwe topic in de rubriek columns en kolder. Als columns welteverstaan.
Deze verhalen zijn prachtig en horen in een eigen topic die niet zomaar na een jaar verwijderd worden zoals in de anderen rubrieken.
Ik wou jouw bericht ertussenuit halen en verplaatsen naar Columns, maar dat verstoort de topic waar het in staat, vandaar mijn vraag om dat eerste verhaal opnieuw te plaatsen in een eigen topic bij Columns. Hopelijk volgen er nog meer![]()
Tilly, moderator
- September 1939 : Algemene mobilisatie!
-Koekelberg
Jos Gijsen heeft gelijk! Er bestaat een wezenlijk verschil tussen de mensen die de oorlog wel en zij die hem niet hebben meegemaakt.
Diegenen die de oorlog niet hebben gekend zijn duidelijk jonger en hebben hem niet aan den lijve ondervonden. Daarom is een oorlog iets dat men moeilijk kan uitleggen.
Als mensen die hem wél hebben meegemaakt, er over praten begrijpen ze elkaar instinctief en weten dadelijk waarover het gaat. Jongeren doen hun best om het hoe en waarom te verstaan maar kunnen zich maar moeilijk in bepaalde situaties inleven.
Ze weten niet wat het is om te leven onder de bezetting, in een atmosfeer van angst en beperkingen.
Iedereen lijdt eronder. De volwassenen nog meer dan de kinderen denk ik.
Ik heb vaak geprobeerd om te weten te komen wat nu eigelijk de meeste verre herinnering is die ik heb.
Hoe de oorlog voor ons eigenlijk begon weet ik niet meer, maar één bepaalde gebeurtenis, die duidelijk nog moet hebben plaatsgevonden vóór het uitbreken van die oorlog, staat me nog vrij scherp voor de geest.
Ik ben bijna vier jaar en Mil, mijn broer, drie, als ma ons die zondagochtend meeneemt naar Koekelberg.
Op het grote grasplein rond de basiliek zitten vele Belgische soldaten in bosjes bij elkaar op de vochtige grond. Ze hebben hun geweren met de lopen tegen elkaar rechtop gezet. Het lijken wel kleine indianententjes.
Ma neemt ons bij de hand en gaat op zoekt tussen de vele groepjes. Ze vindt pa bij de kerk waar hij samen met enkele kameraden tegen de muur aanleunt.
Hij heeft ons blijkbaar niet verwacht. Met een kreet van vreugde neemt hij ma even vast en daarna tilt hij mijn broer en ik gelijktijdig op alsof we twee pluimpjes zijn, zo licht.
Wij zitten nu elk op één van zijn armen. Onze gezichten héél dicht bij hem.
De man ruikt naar aarde en nat gras.
Het kaki soldatenkostuum voelt erg ruw aan en schuurt onze blote billetjes rood.
Wat ons aan pa het meeste opvalt is zijn soldatenmuts. Ze lijkt precies een omgekeerd bootje waar vooraan een rode flos bengelt die bij elke beweging heen en weer wiebelt over zijn voorhoofd.
We mogen tussen hem en ma op de grond zitten bij de soldaten en andere mensen met kinderen.
Hij ravot met ons, rolt over het gras en wij springen bovenop hem en rijden paardje op zijn rug.
Om beurten zet hij het rare bootje op zijn en onze hoofden. Wij schateren het uit.
“Ik heb honger,” zegt pa.
Ma haalt boterhammen uit haar tas die we samen snel verorberen. Ze heeft ook nog een blikken doos met koekjes mee voor pa. De doos blijft dicht maar pa laat ons eens proeven van zijn rantsoen soldatenkoeken. Die koeken zijn beenhard en proeven naar karton.
Ma en pa strekken zich languit op het groene plein terwijl wij nog wat spelen met de andere kinderen.
Het wordt een kort afscheid want plots weerklinken de schelle tonen van een klaroen en moeten de mannen verzamelen. De soldaten lopen naar de indianententjes en breken ze snel af.
Haastig geeft pa een kus op de mond van ma en strijkt nog even met zijn zware hand door onze haren.
Daarna is hij weg.
Even later, in het gelid, de helm op het hoofd en het geweer op de schouder, marcheren alle soldaten de brede laan voor de Basiliek op.
Mijn broer en ik beseffen niet wat er gebeurt en weten niet wanneer we pa nog terug zullen zien. Later zal blijken dat dit pas binnen negen maanden is.
Als ze uit het zicht verdwijnen merken we pas dat Mil nog steeds de soldatenmuts met rode flos op zijn kop heeft. Zijn witte haren steken fel af tegen de kaki kleur van het hoofddeksel.
Vliegensvlug ritst ma de muts van zijn hoofd en wil de soldaten achterna hollen maar ziet nog net de troep wegdraaien achter de hoek.
Er blinkt er een traan in haar ogen wanneer ze ons bij de hand neemt Ze bijt op haar onderlip en zet de muts weer op Mil zijn witte kop.
“Jij bent de kleinste,” zegt ze, “ hou jij ze maar…”
Laatst gewijzigd door Fikske op 08 apr 2005, 19:33, 1 keer totaal gewijzigd.