Zwanen en de mens
**
Vanwege hun statige en ornamentele status spelen knobbelzwanen een grote rol in de mythologie van vele volkeren. Bij de Germanen werden hen voorspellende gaven toegekend. Ook omwille van hun uiterlijk worden ze al sinds de Middeleeuwen als siervogels in park- en kasteelvijvers gehouden. Al sinds de 14e eeuw bezat de stad Brugge een zwanenfokkerij in Meetkerke. Wandelaars geven hen in het park vaak grote hoeveelheden brood, wat tot een aanzienlijke watervervuiling kan leiden.
Territoria
**
Ze beschermen hun territorium, dat heel groot kan zijn, zo goed als ze kunnen. Zeker als ze aan het broeden zijn, wordt het nest met snavel en tand verdedigd. Hun dreighouding is echt imposant. Ze buigen hun hals naar achteren en bollen hun vleugels om uiteindelijk met een flinke ‘boeggolf’ naar hun indringer te zwemmen. Ze zijn agressief tegenover alle soorten watervogels, wat negatieve gevolgen kan hebben voor de kleinere soorten. Buiten het broedseizoen vormen ze echter af en toe wel groepen met de kleine en de wilde zwaan. In natuurterreinen wordt de komst van een paartje knobbelzwanen niet onverdeeld gunstig onthaald. Waterplanten worden vaak overmatig begrazen en bij de verdediging van jongen en territorium leggen de zwanen een grote agressiviteit aan de dag. Meer op prijs gestelde soorten zoals de dodaars kunnen zich dan ook genoodzaakt zien rustiger plekjes op te zoeken.
Nest en jongen
**
Ze nestelen op de grond, dicht bij de waterrand van moerasgebieden en weinig stromende waters, bij estuaria en in steden. Hun nest is een groot bouwsel van plantenmateriaal: riet en waterplanten, met een holte in het midden. Het wijfje broedt tot 38 dagen op de 5 tot 8 ovale eieren van ongeveer 11 cm. In het begin van de broedtijd zijn de eieren nog mat en grijsgroen, maar na een paar weken worden ze glanzend en bruinig. Het wijfje sist luid naar alles wat te dicht in de buurt komt. Als haar waarschuwingen in de wind worden geslagen valt ze aan. Haar sterke snavel en vleugels zijn geduchte wapens. Zwanenkinderen blijven een heel jaar lang bij hun ouders, maar ze verlaten al wel spoedig het nest en kunnen na 4 – 5 maanden vliegen. Voor vogels is dat heel erg lang. De ouders dragen hun jongen, zoals bij futen, af en toe op de rug. Wanneer ze het verenkleed van een volwassen zwaan krijgen, verjagen de ouders hun jongen. Volgroeide jonge vogels hebben eerst een lichtbruin kleed, nog bruiner dan de jongen van de wilde zwaan, dat, naarmate ze ouder worden, witter wordt. Ze missen de knobbel en hun snavel en poten zijn nog donkergrijs. Later worden die rozegrijs en vervolgens krijgt hij de oranjerode kleur van de volwassen snavel. In het derde jaar zijn de vogels echt volwassen. Daarna vormen de jonge vogels af en toe grote groepen. Donsjongen zijn grijs of wit. Ze worden door beide ouders verzorgd. Broedpartners blijven dikwijls hun hele volwassen leven bij elkaar, maar vaak gaan ze ook na één broedseizoen uit elkaar. Ze hebben per jaar maar 1 broedsel.
Verspreiding
**
In onze streken de talrijkst voorkomende zwaan, al is dat nog niet zo lang, want tot voor enkele decennia waren ze heel zeldzaam. ’s Winters groepen ze samen langs beschutte zeekusten, riviermondingen en op meren. In echt strenge winters, zijn ze heel talrijk. Noordoostelijke populaties trekken van november tot april naar het zuiden en het westen. In de zomer komt tegenwoordig een toenemend aantal broedgevallen voor. Na de broedtijd leven ze vaak in grote groepen. In de meeste gebieden van Noordelijk Europa (Z-Scandinavië, Denemarken, O.-Pruisen) tot oostelijk Azië, over de Donaulanden, Zuidoost-Europa en Midden- en Zuid-Rusland leven halftamme parkvogels en hun verwilderde nakomelingen. Het is een wijd verspreide broedvogel nabij stilstaande of langzaam stromende voedselrijke binnenwateren en parken.
De knobbelzwaan kwam oorspronkelijk in het noorden van centraal Europa, het zuiden van Scandinavië en het gebied rond de Zwarte Zee voor. Verder naar het oosten was hij tot in Noord-China te vinden. Zijn verspreidingsgebied is echter aanzienlijk uitgebreid doordat de mens hem op verschillende plaatsen heeft uitgezet. Zelfs in Zuid-Afrika heeft hij een tijdlang gewoond maar is daar inmiddels weer uitgestorven. Broedgevallen binnen onze grenzen betreffen vooral verwilderde exemplaren. In Nederland kan een aantal als écht wild worden beschouwd. Het onderscheid tussen (half)tamme en wilde exemplaren is echter heel erg moeilijk te maken.
*******
http://nl.wikipedia.org/wiki/Knobbelzwaan