Onze lezers kruipen geregeld in de (virtuele) pen. Thieu Vanhees bezorgde ons deze gewaarde bijdrage over de tijd van de meikevers van weleer...
De plattelandsjeugd uit het digitaal tijdperk zal er vandaag totaal geen boodschap aan hebben. Waarschijnlijk hebben ze geen notie van het bestaan van de meikever (Melolontha melolontha). Pesticiden en klimatologische omstandigheden hebben ervoor gezorgd dat ze gedegradeerd werd tot het niveau van de bedreigde diersoorten. Ze is helaas een zeldzaam verschijnsel geworden. Toch blijft de meikever een iconisch insect in onze contreien.
Elk jaar eind april, begin mei, kwamen ze uit het niets tevoorschijn. Ze waren ondergronds al gegroeid uit de engerlingen en wachtten geduldig de tijd af van de warmere, temperaturen. Tot grote vreugde van de schoolbengels, voor wie de kevers een bron van amusement betekenden.
Ons amusementsleven lag volledig in de evolutie van de seizoenen. Elk seizoen had zijn charmes. En onze creativiteit deed de rest. Meikevers vangen was voor ons rond 1 mei een niet te missen happening. Door de eerste zonnige dagen van de lente warmde de temperatuur op en de meikevers ontwaakten uit hun winterslaap.
We zochten een blikken doos en een stok. Na schooltijd togen we op zoek naar de meidoornhagen rond de toen nog zo romantische hoogstamboomgaarden. We knuppelden met onze stok op het prille meigroen om de slapende kevers te doen vallen. Die verzamelden we in ons blik. Het leidde tot een ongemeen hilarische competitie onder de bengels. Er was een klein probleem. We moesten er tijdig bij zijn, want de meikevers was slechts een korte levensduur beschoren. Vaak was de meikeverrage op een kleine week afgelopen.
Meenemen naar school mocht niet van vader. Daar moest je de meester niet mee opzadelen. Of toch? Sommige deugnieten brachten ze mee in een klein lucifersdoosje met wat verse blaadjes van de meidoorn.
De stofferige speelplaats bood ons voldoende ruimte om de kevers als “kemphanen” in te zetten. Met de handen schepten we wat zand op een hoopje, diepten er een kuiltje in, en stopten er dan vlug enkele kevers in. Dan hoopten we er snel zand over. En nu vol spanning wachten op wiens kever zich het eerst zou vertonen. Was het de bruine, of was het de “mulder” die wat grijsachtige vleugels had? In de klas mochten de kevers dan rustig wat bekomen in dat enge lucifersdoosje, dat we goed opgeborgen hielden in de broekzak. Toch gebeurde het wel eens dat we afgeleid werden door een “ontsnapt prijsbeestje” op de vlucht naar vrijheid.
Geen nood, ieder had thuis nog wel een “flinke voorraad” kevers, die op en door elkaar lagen te wriemelen in een afgesloten blik. We gebruikten de beestjes ook als “prijsvliegers” . Met een garendraadje aan hun staartbeentje konden we ze laten flodderen zonder dat ze de vrijheid kregen. Wiens “vlieger” het langst bleef zweven, was de winnaar.
Opgepast maar, zei vader, de kippen en de katten vinden de kevers een heerlijk snoepje. En voordat we ’s morgens naar school trokken , begeleidde hij ons door het bedauwde gras naar onze weelderige boomgaard, een hof van eden ,waar zowat alle soorten appel-, peren-,pruimen-, en kersenbomen stonden. Met zijn sterke boerenarmen greep hij de dunnere exemplaren van de pruimenbomen vast en schudde ze heen en weer. Wat hadden we daar een bewondering voor! En de nog slapende meikevers vielen er dan pats pats uit. Met gretige kinderhanden pikten we ze op en stopten ze in onze verzameldoos. Onze buit groeide zienderogen. We straalden van fierheid en we trokken blijgezind naar school, waar we blufferig konden uitpakken over onze “ verse buit aan kevers”. Ik denk niet dat paaseieren rapen ons gelukkiger stemde. Dat waren toch maar “ordinaire” geverfde kippeneieren.
We zullen het een banaal toeval noemen. Het lag zeker niet in mijn bedoeling om die avond moeder te bedroeven. Onze grijze kater speelde ongewild de hoofdrol. Als kind moesten we tijdig naar bed, ook al was het nog licht. Ik had in de avondschemering nog enkele kevers gevangen aan de straatlantaarn en die haastig weggestopt in een van de mooie vazen van het schouwgarnituur, en de opening afgedicht met een prop krantenpapier. Nu kon ik gerust naar bed. ’s Anderendaags zou ik ze er weer uitvissen. Maar de grijze kater volgde een andere logica. Hij spitste zijn oren en hoorde het gekrabbel van de kevers in de vaas. Daar huisde volgens hem beslist een muisje. Hij wipte op het schouwblad en kegelde de mooie vaas omver. Ze viel in gruizelementen en hij had de kevers beet. Moeder was niet te troosten, ze zag plots de helft van haar mooie huwelijkscadeau zomaar vernield door die stomme kat. Of was ik de ware schuldige? Ik heb er dagen over gedaan om mijn spijt te betuigen, en te bedenken hoe ik mijn stommiteit bij moeder goed kon maken. En nooit zou ik nog meikevers in huis opbergen. Gelukkig zorgde vader voor een nieuw schouwgarnituur.
THIEU VANHEES
