De medische vooruitgang is niet te stoppen. Dankzij nieuwe technieken, onderzoeken en medicijnen kunnen we allerhande aandoeningen en ziektes steeds beter behandelen en voorkomen. In de jaren ’50 stond de geneeskunde nog lang niet zo ver. Was je ernstig ziek? Dan mocht je van geluk spreken als de dokter wist hoe hij je moest behandelen. Hij deed wat hij kon. Ontdek 5 weetjes over gezondheid in de jaren ’50!
1. ‘Meneer doktoor’ was manusje-van-alles
In de jaren ’50 waren er lang niet zoveel specialisten als nu. De huisarts deed zowat alles. Hij trok ook tanden, begeleidde bevallingen, deed zelf kleine ingrepen en bracht gipsverbanden aan. Als er in de gemeente geen aparte apotheek was, kon je ook bij de huisdokter terecht voor je geneesmiddelen. Hij was dus tegelijk huisarts, thuisverpleger, orthopedist, tandarts, verloskundige, apotheker en in sommige dorpen zelfs ambulancier. Omdat hij een van de weinigen was met een auto, bracht hij de patiënten soms zelf naar het ziekenhuis in de stad.
2. Met z’n allen in een grote ziekenzaal
Belandde je in het ziekenhuis, dan was de kans groot dat je terechtkwam in een grote ziekenzaal. De bedden werden van elkaar gescheiden door schermen of gordijnen, meer privacy was er niet. Het voordeel was dat slechts een paar verpleegsters, vaak nonnen, veel patiënten tegelijk in het oog konden houden.
3. Tandpijn? Dan trek je die tand toch gewoon
Had je een slechte tand, dan werd die niet behandeld, maar uitgetrokken. Sommige mensen die veel last hadden van hun gebit, lieten alle tanden, ook de gezonde, uittrekken. In de plaats kregen ze een uitneembaar kunstgebit. Er waren zelfs mensen die preventief alle tanden lieten trekken en voor een kunstgebit kozen, om zich te behoeden voor pijn en oplopende kosten, ook al waren hun tanden nog gezond.
4. ‘Hij is geen man die niet roken kan’
Zowat de helft van onze landgenoten rookte, vooral mannen. Bijna 70 procent van de Belgische mannen rookte sigaretten, sigaren of een pijp. Het was nog niet bekend dat tabak schadelijk is voor de gezondheid, en sommige dokters raadden het zelfs aan aan hun patiënten. Toen mocht je ook nog gewoon overal binnen roken: in het vliegtuig, op de trein, op het werk en zelfs in het ziekenhuis.
5. Ernstig ziek? Pech gehad ...
Veel ziekten waren in die tijd nog onbekend, laat staan dat men wist hoe men ze moest bestrijden. Infectieziekten die vroeger vaak voorkwamen, zoals difterie, tetanus, roodvonk, polio ... kunnen nu voorkomen worden met vaccins, maar dat was in de jaren ’50 nog niet het geval. Leed je aan reuma of artrose, dan konden de dokters je nog niet verder helpen. Kanker leidde vaker en sneller tot de dood. Volgens de Stichting tegen Kanker was slechts 35 procent van de patiënten 5 jaar na de diagnose nog in leven, nu is dat bijna 70 procent.
De medische zorg was nog niet zo ver ontwikkeld als nu. Als patiënt zat er niets anders op dan dat gewoon te aanvaarden. De dokter had zijn best gedaan. Als je na een ziekte of een ongeval niet meer volledig herstelde, dan leerde je daarmee leven. Gelukkig staat de medische wereld op dit moment aanzienlijk verder, waardoor je kansen op een volledig herstel veel groter zijn.
Vroeger was alles anders, ook het eten en de huizen.

Deze weetjes komen uit ‘Vroeger was alles anders’ van Korneel De Rynck. Dit boek gaat over schepjes cichorei in de koffie, buurtcinema's en stoffige kolenkachels. Maar ook over telegrammen, bedevaarten naar Lourdes en toiletten buiten het huis. Vroeger was alles anders. Of toch zeer veel.
Verrassend voor jongere generaties, en heel herkenbaar voor wie een dagje ouder is.
Korneel de Rynck, Vroeger was alles anders, Angèle, 300 p., 22,50 euro



