Ik denk dat het voor velen van jullie bekend is. De onheilstijding komt meestal via de post onder de vorm van een vroegere gele briefkaart, maar nu in het groen gekleurd. Ze meldt je “dat je vriendelijk verzocht wordt je vehikel, in zindelijke staat, aan te bieden bij huppeldepup of een ‘station’ naar keuze voor de autokeuring vóór het verstrijken van je vorig keuringsbewijs”.
Tja, wet is wet. Voorheen kon je nog fulmineren dat je in de rest van Europa mocht rondrijden met je bagnolle of je lelijk eendje tot je de uitlaat als een afgeleefde olifantenslurf meesleepte, of je ruitenwissers zich kriepend en piepend beperkten tot een klein streepje, maar dit is verleden tijd. Putain, putain, on est tous des Européens, voor iedereen gelijk.
Voor mij was het een tijdje geleden nog een dergelijke missive te mogen ontvangen. Vier jaar geleden had ik het schitterend idee, om na jarenlang rondrijden met een “superoccasie” meestal van een “oud ventje die zijn wagen enkel gebruikte om naar de mis te gaan”, wat in realiteit uitdraaide op een brokkenkar die in een jaar zijn aankoopprijs verdubbelde, een splinternieuw wagentje aan te kopen. Een Peugeot 208, een superbolide, sportstuurtje, goede muziekinstallatie en en plus licht groen gekleurde ruitjes.. er zeer tevreden over.
Maar kom, na mij vier jaar wittebroodsweken, tijd om me aan de wet te onderwerpen.
Ik dacht: “het nuttige aan het aangename paren”, en gezien ik toch voor zijn jaarlijkse onderhoud binnen moest, eerst garage doen en nadien keuring. Belde de garage voor afspraak, geen probleem, datum vastgelegd. Ietwat later telefoontje terug: “meneer Raes, probleem. Ik zie hier dat morgen uw vier jaar verstrijken. Dus: stante pede naar de keuring, of een leuke boete zal u verblijden.” Klaar, duidelijk. Actie drong zich op was. Opgezocht waar die keuring nu eigenlijk was, nog vlug car wash - zindelijke staat, remember - en in ijltempo naar dit gloednieuw keuringspaleis gereden. Mooi hoor, ruim, een zevental oprij-rijen.
Met enig voorbarig leedvermaak zag ik dat in de eerste rij een vijftiental wagens stonden aan te schuiven. Niet met mij, dacht ik, en reed naar een van de weinig bevolkte poorten. Een nors kijkende mecanno-feldwebel vroeg mij mijn reserveringsbewijs. Natuurlijk noppes gezien mijn laattijdig optreden, en hup, toch aanschuiven aan de eerste rij.
Elk kwartier werd er eentje binnen gelaten. Ik rekende dat ik voor een tweetal uur zoet was. Tijd genoeg om de gordeltjes netjes vast te pinnen en de nodige papiertjes klaar te leggen.
Uiteindelijk was ik aan de beurt. Een vriendelijke man nam een kritische blik op mijn geloofsbrieven, en zei kordaat: “Net op tijd, hé makker, maar ga maar rustig op die bankjes zitten, wij doen de rest wel”.
“Dik in de sacoche,” dacht ik, terwijl ik naar de stoeltjes slenterde.
Pas gezeten hoorde ik een knallende toeter galmen door de hall. Verdorie, dan nog van mijne claxon. De technicus wenkte me.
“ Is dit beestje van u?”, vroeg hij lachend. In de openstaande motorkap zagen we een kloek rattenkadaver, dat blijkbaar een smartelijke dood was gestorven tijdens zijn zoektocht naar warmer oorden en hapklare plastiekdraden.
“Erg?,” vroeg ik beduusd. “Nee hoor, kloeke muizen en marters zijn hier ook vaste klanten, “ lachte mijn keurmeester, “ maar je begrijpt dat wij dit niet verwijderen. Misschien eens langs het vilbeluik passeren, hihi…”
Oef, niets ernstig dus . De keuring verliep verder. Op het einde vertelde hij “dat alles OK was, buiten het flikkerlichtje aan de voorspiegel dat niet werkt. We zien u dan ook graag nog eens terug, en een prettige dag verder!”
Met een 49 euro armer en een voorlopig keuringsbewijs rijker verliet ik het pand. Het vilbeluik heb ik niet gehaald. Ik heb het onfortuinlijk beestje een vredige rustplaats gegund langs een veldwegeltje. Misschien handig voor familie- of kennissenbezoek.
Het lichtje werd door mijn garagist voor 5 euro vervangen (was slechts het lampje). Morgen begeef ik me terug naar het strijdveld voor de definitieve absolutie. Ditmaal afspraak gemaakt.



