Alle dinge
zijn mi te inge, zijn mij te eng
Ik ben zo wijd: Ik ben zo wijd
om een ongeschepen Wat niet is geschapen
Heb ik begrepen heb ik begrepen
in eeuwigen tijd in eeuwige tijd
Ik heb ’t gevaan. Ik heb het ontvangen
Het heeft mi ontdaan en ben er van bevrijd
Widere dan wijd Wijder dan wijd
Mis es te inge al el; Mij is alles te bekneld
Dat wette wel Dat weet U wel
Gi dies ook daar zijt. die daar ook bent
Men es vri Het is mij vrij
In dat nabi in dat nabije
ongescheden: ongescheiden
daaromme wilt hi te zijn; daarom wil hij
dat alzo zi dat ook zo zijn
met ons beden met ons beiden
Hadewijch (+1210-1260)
