Ondertussen weten jullie allemaal al dat ik ook een blogje heb waar ik mijn verhalen heb gebundeld,
http://blog.seniorennet.be/fikskes_verhalen/
maar toch wil ik deze opnieuw hier plaatsen voor hen die de sprong naar het blog niet zo graag maken en liever hier lezen en commentaar geven.
Misschien is dit wel weer té lang en moet ik het in twee kappen?
We zien wel waar ik uit kom.
Zomer 1955 Appél aan bed!
Boem, boem, boem! Drie slagen daveren door de kamer!
De deur wordt opengesmeten en smakt met een knal tegen het ijzeren stapelbed.
Iemand brult uit volle borst. - 'APPEL AAN BED !!!' - En steekt het licht aan.
De volle lichtbundel schijnt in mijn aangezicht.
Waar ben ik?
Er staan ijzeren staven en bedden rondom mij, ... ach ja, we zijn in de kazerne.
Ondertussen is de sergeant al weer weg want verder op de gang horen we opnieuw drie keer bonzen en de klokstem die het bevel herhaalt:?
-‘Appél aan bed!’
‘Hé, doe dat licht eens uit!’ Protesteert een stem in het bed boven mij.
Ik ben nu klaar wakker en maak aanstalten om uit bed te komen.
‘’t is nog maar zes uur!’
In het bed naast mij kijkt de Fik op zijn polshorloge en wrijft met zijn twee vuisten in zijn ogen.
Langzaam komt er een beetje beweging in de kamer.
Daar is hij weer. ‘Aan bed!’ Schreeuwt hij, en gaat kaarsrecht in de deuropening staan.
Niet goed begrijpend wat er van ons verlangd wordt, kijken we hem aan.
‘Van de Gaar?’ Roept hij en kijkt naar het voeteinde van het eerste bovenbed rechts. Kreunend richt zich iemand op maar het is al te laat, ...
‘Afwezig!’ Verklaart hij en maakt een aantekening in zijn schrijfboek.
Hij kijkt naar het bordje van het onderste bed. ‘Van de Perre?’
Aarzelend komt het antwoord van onder de lakens in het onderste bed.
‘Ja…euh, ik…’
‘Afwezig!’ Weer noteert hij.
‘Ja maar…ik ben Van de Perre!’ Beweert de jongen en springt vliegensvlug recht.
‘Sta jij vóór je bed?’ Vraagt de militair en brengt zijn gezicht dichter bij de slaper.
‘Nee, maar ik ben hier toch?’
‘Luister, …’ ‘ ik zeg het nog één keer’ sist de sergeant in al zijn goedheid.
‘Wie bij de naamafroeping niet VÓÓR zijn bed staat en TEGENWOORDIG antwoordt, is afwezig. VERSTAAN?’
Het is nochtans de éérste keer dat we dit horen, maar hebben het nu wel goed begrepen.
Dadelijk haast iedereen zich naar de gevraagde plaats.
Hij gaat verder met namen afroepen en met een krachtig ‘Tegenwoordig’ bevestigen we onze aanwezigheid.
Bij de deur draait hij zich nog eens om en zegt triomfantelijk:
‘Er waren dus twee afwezigen vandaag! Van de Gaar en Van de Perre. Na het avondeten zijn jullie van “Bidon”, begrepen?’
‘En nog iets! Binnen tien minuten verzameling aan de refter, en vergeet jullie eetgerief niet, anders,… geen eten!’
Zo begint de eerste dag van onze opleiding bij de transmissietroepen te Mechelen.
De dag voordien waren we opgehaald aan het station.
Op het binnenplein van de kazerne stonden grote letterplaatjes tegen de muur en elkeen moest in de rij staan bij de letter waarmee zijn naam begint.
In groepen werden we dan naar het eerste verdiep van één der gebouwen gebracht en kregen onze slaapplaatsen aangewezen.
Meerdere kamers geven uit op een brede gang. Langs weerskanten in elke kamer staan vier ijzeren stapelbedden met de hoofdeinden tegen de muur.
De namen worden op kleine plaatjes geschreven en door een soldaat, met twee strepen op zijn mouwen, aan elk bed opgehangen.
‘Ik ben korporaal Van Doren’, zegt hij met een brede grijns, ‘jullie zullen me nog wel leren kennen.’
Naast elk bed staat een ijzeren kastje van 30 bij 30 cm en 1m60 hoog om je kleren in te hangen, meer niet.
Een mooi opgevouwen stapeltje lakens en een deken liggen naast het hoofdkussen op ieder bed.
Tien minuten later is de korporaal er weer.
‘Aandacht!’ Roept hij. Op de voet wordt hij gevolgd door een andere militair met drie strepen op zijn mouwen. ‘Dit is sergeant De Wilde, jullie pelotonoverste.’
De sergeant zet zich wijdbeens in het midden van de kamer.
‘Vanaf nú zijn jullie onder de wapens.’ Verkondigt hij met luide stem.
‘Dit betekent: Gehoorzamen aan elk bevel.’
‘Wie denkt dat hij hier zijn goesting mag doen krijgt met mij af te rekenen!’
‘Bij het leger is er tucht,… en wie zich niet aan de regels houdt krijgt karwei of cachot!’ ‘Denk aan de spreuk boven de ingangspoort; Wij temmen hier ook leeuwen!’
Ze verdwijnen even snel als ze gekomen zijn.
Als intimidatie kan dat tellen. Wij kijken even verwonderd naar mekaar en vragen ons af waar we nu terechtgekomen zijn.
‘’t Zal wel allemaal koelen zonder blazen.’ Zegt de Fik laconiek.
Even later moeten we naar beneden om onze uitrusting op te halen.
Gisteren hebben ze alleen onze maten genomen en nu liggen onze kleren klaar in het magazijn. Bovenop onze volgeladen armen werpen ze nog een helm en een geweer.
Pas als we in de kamer zijn zie ik dat er ook vier witte flanellen broeken bijzijn, twee met korte en twee met lange broekspijpen.
‘Wat is dat?’ Vraag ik verwonderd.
‘Onderbroeken, dat kent ge toch?’ Vraagt de Fik, en hij fronst zijn wenkbrauwen.
‘Ach ja, natuurlijk...’ lieg ik. Pas nu besef ik dat we thuis nooit eerder een mannenonderbroek gezien of gedragen hebben...
Ja, het is te lang. Morgen het vervolg?
http://blog.seniorennet.be/fikskes_verhalen/
maar toch wil ik deze opnieuw hier plaatsen voor hen die de sprong naar het blog niet zo graag maken en liever hier lezen en commentaar geven.
Misschien is dit wel weer té lang en moet ik het in twee kappen?
We zien wel waar ik uit kom.
Zomer 1955 Appél aan bed!
Boem, boem, boem! Drie slagen daveren door de kamer!
De deur wordt opengesmeten en smakt met een knal tegen het ijzeren stapelbed.
Iemand brult uit volle borst. - 'APPEL AAN BED !!!' - En steekt het licht aan.
De volle lichtbundel schijnt in mijn aangezicht.
Waar ben ik?
Er staan ijzeren staven en bedden rondom mij, ... ach ja, we zijn in de kazerne.
Ondertussen is de sergeant al weer weg want verder op de gang horen we opnieuw drie keer bonzen en de klokstem die het bevel herhaalt:?
-‘Appél aan bed!’
‘Hé, doe dat licht eens uit!’ Protesteert een stem in het bed boven mij.
Ik ben nu klaar wakker en maak aanstalten om uit bed te komen.
‘’t is nog maar zes uur!’
In het bed naast mij kijkt de Fik op zijn polshorloge en wrijft met zijn twee vuisten in zijn ogen.
Langzaam komt er een beetje beweging in de kamer.
Daar is hij weer. ‘Aan bed!’ Schreeuwt hij, en gaat kaarsrecht in de deuropening staan.
Niet goed begrijpend wat er van ons verlangd wordt, kijken we hem aan.
‘Van de Gaar?’ Roept hij en kijkt naar het voeteinde van het eerste bovenbed rechts. Kreunend richt zich iemand op maar het is al te laat, ...
‘Afwezig!’ Verklaart hij en maakt een aantekening in zijn schrijfboek.
Hij kijkt naar het bordje van het onderste bed. ‘Van de Perre?’
Aarzelend komt het antwoord van onder de lakens in het onderste bed.
‘Ja…euh, ik…’
‘Afwezig!’ Weer noteert hij.
‘Ja maar…ik ben Van de Perre!’ Beweert de jongen en springt vliegensvlug recht.
‘Sta jij vóór je bed?’ Vraagt de militair en brengt zijn gezicht dichter bij de slaper.
‘Nee, maar ik ben hier toch?’
‘Luister, …’ ‘ ik zeg het nog één keer’ sist de sergeant in al zijn goedheid.
‘Wie bij de naamafroeping niet VÓÓR zijn bed staat en TEGENWOORDIG antwoordt, is afwezig. VERSTAAN?’
Het is nochtans de éérste keer dat we dit horen, maar hebben het nu wel goed begrepen.
Dadelijk haast iedereen zich naar de gevraagde plaats.
Hij gaat verder met namen afroepen en met een krachtig ‘Tegenwoordig’ bevestigen we onze aanwezigheid.
Bij de deur draait hij zich nog eens om en zegt triomfantelijk:
‘Er waren dus twee afwezigen vandaag! Van de Gaar en Van de Perre. Na het avondeten zijn jullie van “Bidon”, begrepen?’
‘En nog iets! Binnen tien minuten verzameling aan de refter, en vergeet jullie eetgerief niet, anders,… geen eten!’
Zo begint de eerste dag van onze opleiding bij de transmissietroepen te Mechelen.
De dag voordien waren we opgehaald aan het station.
Op het binnenplein van de kazerne stonden grote letterplaatjes tegen de muur en elkeen moest in de rij staan bij de letter waarmee zijn naam begint.
In groepen werden we dan naar het eerste verdiep van één der gebouwen gebracht en kregen onze slaapplaatsen aangewezen.
Meerdere kamers geven uit op een brede gang. Langs weerskanten in elke kamer staan vier ijzeren stapelbedden met de hoofdeinden tegen de muur.
De namen worden op kleine plaatjes geschreven en door een soldaat, met twee strepen op zijn mouwen, aan elk bed opgehangen.
‘Ik ben korporaal Van Doren’, zegt hij met een brede grijns, ‘jullie zullen me nog wel leren kennen.’
Naast elk bed staat een ijzeren kastje van 30 bij 30 cm en 1m60 hoog om je kleren in te hangen, meer niet.
Een mooi opgevouwen stapeltje lakens en een deken liggen naast het hoofdkussen op ieder bed.
Tien minuten later is de korporaal er weer.
‘Aandacht!’ Roept hij. Op de voet wordt hij gevolgd door een andere militair met drie strepen op zijn mouwen. ‘Dit is sergeant De Wilde, jullie pelotonoverste.’
De sergeant zet zich wijdbeens in het midden van de kamer.
‘Vanaf nú zijn jullie onder de wapens.’ Verkondigt hij met luide stem.
‘Dit betekent: Gehoorzamen aan elk bevel.’
‘Wie denkt dat hij hier zijn goesting mag doen krijgt met mij af te rekenen!’
‘Bij het leger is er tucht,… en wie zich niet aan de regels houdt krijgt karwei of cachot!’ ‘Denk aan de spreuk boven de ingangspoort; Wij temmen hier ook leeuwen!’
Ze verdwijnen even snel als ze gekomen zijn.
Als intimidatie kan dat tellen. Wij kijken even verwonderd naar mekaar en vragen ons af waar we nu terechtgekomen zijn.
‘’t Zal wel allemaal koelen zonder blazen.’ Zegt de Fik laconiek.
Even later moeten we naar beneden om onze uitrusting op te halen.
Gisteren hebben ze alleen onze maten genomen en nu liggen onze kleren klaar in het magazijn. Bovenop onze volgeladen armen werpen ze nog een helm en een geweer.
Pas als we in de kamer zijn zie ik dat er ook vier witte flanellen broeken bijzijn, twee met korte en twee met lange broekspijpen.
‘Wat is dat?’ Vraag ik verwonderd.
‘Onderbroeken, dat kent ge toch?’ Vraagt de Fik, en hij fronst zijn wenkbrauwen.
‘Ach ja, natuurlijk...’ lieg ik. Pas nu besef ik dat we thuis nooit eerder een mannenonderbroek gezien of gedragen hebben...
Ja, het is te lang. Morgen het vervolg?
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
is de rijkste die er leeft.
