Bacheke.
Ik weet niet wat zijn echte naam was; heb het ook nooit geweten . Bacheke was zo’n figuur die in heel de omgeving bekend was. Hij was de petrolboer. Op een kar, getrokken door een muilezel, had hij een grote ovale tank van 300 liter staan. Helemaal in ’t rood geschilderd. Aan de achterkant , een wit ovaal vlak, met twee blauwe gelijklopende strepen.. En daar stond in blauwe letters Standard Oil op. Standard Oil afgekort: S.O. Later zou dat ESSO worden. Een grote koperen bel, verbonden met het hoofdstel van zijn muilezel zorgde ervoor dat iedereen hoorde dat Bacheke in aantocht was.
Vermits het geduurd heeft tot 1942 eer wij over elektrische stroom konden beschikken moest het huis verlicht worden met petroleumlampen. In het woonhuis waren dat gewone petroleumlampen. De gelagzaal echter werd verlicht door 3 zogenoemde Aladinlampen.
Dat waren koperen petroleumlampen zonder wiek, maar uitgerust met een fijn netkousje dat eenmaal gloeiend wit, een mooi licht verspreidde. Het waren zeer breekbare spullen en mijn zussen hadden iedere dag hun handen vol met poetsen en vullen van de lampen en glazen. Daarbij moest vooral worden opgelet dat het netkousje niet werd aangeraakt; want door het gloeien waren die dingen erg fragiel en verpulverden bij de minste aanraking. Bovendien waren die netkousjes erg duur. Dus waren wij goede klanten van Bacheke. Het bijvullen gebeurde in een apart hok; want de klanten mochten vooral de geur van petroleum niet gewaar worden bij het nuttigen van hun pintjes.
Maar ook aan de commercie van Bacheke en zijn petrolkar maakte de oorlog een einde..
Er mocht weliswaar niet veel licht gemaakt worden onder de oorlog , en de rolluiken werden al vroeg naar beneden gelaten; maar je kon toch niet in het donker zitten. De eerste dagen brachten kaarsen een oplossing; het brandgevaar dat dit meebracht stelde er spoedig een eind aan.
Uiteindelijk kwam het licht van een carbidlamp. De fietsers die zich in de duisternis moesten verplaatsen hadden allemaal zo’n carbuurlamp op het stuur van hun fiets gemonteerd. Onder de oorlog moesten zij echter het glas van de lamp nog afschermen zodat nog amper een kleine rechthoekige opening nog wat schijnsel doorliet..
Zo’n carbidlamp bestond uit een pot waarin de carbuur, een grijs korrelig, stinkend goedje, werd gedaan. Daarbij werd wat water toegevoegd zodat er een gas ontstond. De pot werd op de kop van de lamp geschroefd en via een kleine bek kwam het gas vrij en werd ontstoken. Aan de binnenkant en achter de bek zat er een parabolisch spiegeltje dat op zijn beurt het licht verspreidde.
Mijn vader kocht een een viertal van die carbidlampen. De kop werd uit elkaar gehaald zodat nog enkel de pot met de kleine opening en het parabolische spiegeltje overbleef. Deze noodverlichting werd op verschillende plaatsen tegen de lambrisering in een ring gehangen. Het verspreidde een spookachtig licht. Maar de geur van de gistende carbuur was eigenlijk niet te harden. Ik kan mij niet herinneren hoe lang wij deze noodverlichting hebben gebruikt. In 1942 hadden wij eindelijk elektriciteit en kon ook bij ons de beschaving beginnen.
Op de fietsen werd de carbuurlamp daarna ook snel vervangen door een met een dynamo
op het voorwiel, aangedreven verlichting.
Carbuur werd daarna enkel nog gebruikt om op de vooravond van een huwelijk afscheid te nemen van het bruidspaar.Blikken bussen gevuld met carbuur en water zorgden voor een reeks luide knallen die tot laat in de nacht te horen waren. Maar dankzij de vuurwerkmakers verdween ook deze traditie.
Ik weet niet wat zijn echte naam was; heb het ook nooit geweten . Bacheke was zo’n figuur die in heel de omgeving bekend was. Hij was de petrolboer. Op een kar, getrokken door een muilezel, had hij een grote ovale tank van 300 liter staan. Helemaal in ’t rood geschilderd. Aan de achterkant , een wit ovaal vlak, met twee blauwe gelijklopende strepen.. En daar stond in blauwe letters Standard Oil op. Standard Oil afgekort: S.O. Later zou dat ESSO worden. Een grote koperen bel, verbonden met het hoofdstel van zijn muilezel zorgde ervoor dat iedereen hoorde dat Bacheke in aantocht was.
Vermits het geduurd heeft tot 1942 eer wij over elektrische stroom konden beschikken moest het huis verlicht worden met petroleumlampen. In het woonhuis waren dat gewone petroleumlampen. De gelagzaal echter werd verlicht door 3 zogenoemde Aladinlampen.
Dat waren koperen petroleumlampen zonder wiek, maar uitgerust met een fijn netkousje dat eenmaal gloeiend wit, een mooi licht verspreidde. Het waren zeer breekbare spullen en mijn zussen hadden iedere dag hun handen vol met poetsen en vullen van de lampen en glazen. Daarbij moest vooral worden opgelet dat het netkousje niet werd aangeraakt; want door het gloeien waren die dingen erg fragiel en verpulverden bij de minste aanraking. Bovendien waren die netkousjes erg duur. Dus waren wij goede klanten van Bacheke. Het bijvullen gebeurde in een apart hok; want de klanten mochten vooral de geur van petroleum niet gewaar worden bij het nuttigen van hun pintjes.
Maar ook aan de commercie van Bacheke en zijn petrolkar maakte de oorlog een einde..
Er mocht weliswaar niet veel licht gemaakt worden onder de oorlog , en de rolluiken werden al vroeg naar beneden gelaten; maar je kon toch niet in het donker zitten. De eerste dagen brachten kaarsen een oplossing; het brandgevaar dat dit meebracht stelde er spoedig een eind aan.
Uiteindelijk kwam het licht van een carbidlamp. De fietsers die zich in de duisternis moesten verplaatsen hadden allemaal zo’n carbuurlamp op het stuur van hun fiets gemonteerd. Onder de oorlog moesten zij echter het glas van de lamp nog afschermen zodat nog amper een kleine rechthoekige opening nog wat schijnsel doorliet..
Zo’n carbidlamp bestond uit een pot waarin de carbuur, een grijs korrelig, stinkend goedje, werd gedaan. Daarbij werd wat water toegevoegd zodat er een gas ontstond. De pot werd op de kop van de lamp geschroefd en via een kleine bek kwam het gas vrij en werd ontstoken. Aan de binnenkant en achter de bek zat er een parabolisch spiegeltje dat op zijn beurt het licht verspreidde.
Mijn vader kocht een een viertal van die carbidlampen. De kop werd uit elkaar gehaald zodat nog enkel de pot met de kleine opening en het parabolische spiegeltje overbleef. Deze noodverlichting werd op verschillende plaatsen tegen de lambrisering in een ring gehangen. Het verspreidde een spookachtig licht. Maar de geur van de gistende carbuur was eigenlijk niet te harden. Ik kan mij niet herinneren hoe lang wij deze noodverlichting hebben gebruikt. In 1942 hadden wij eindelijk elektriciteit en kon ook bij ons de beschaving beginnen.
Op de fietsen werd de carbuurlamp daarna ook snel vervangen door een met een dynamo
op het voorwiel, aangedreven verlichting.
Carbuur werd daarna enkel nog gebruikt om op de vooravond van een huwelijk afscheid te nemen van het bruidspaar.Blikken bussen gevuld met carbuur en water zorgden voor een reeks luide knallen die tot laat in de nacht te horen waren. Maar dankzij de vuurwerkmakers verdween ook deze traditie.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!