.











MAANDAG MIJN EERBETOON AAN TOON HERMANS 4’de jaargang
MICHAEL ROWED THE BOAT—BROTHERS FOUR
Michael rowed the boat ashore , hallelujah
Toon zijn liedjes hebben zin , alleluja……………….122
Er zit steeds een boodschap in , alleluja
Toon blijft wonen in ons hart , alleluja
Elke dag een goeie start , alleluja
Toon geeft mij zijn boodschap door , alleluja
Samen zingen we in koor , alleluja
NORMAN—VERZEN
Toon kreeg tien voor taal……………….186
Hij entertainde elke zaal
Mat een versje of een lied
Of een ode aan zijn Riet
Wie het minnespel wil spelen……………..187
Die moet bij Toon Hermans zijn
Hij is voorbeeld van zo velen
Voor de liefde en de gein
Eet meer fruit………………………..188
Zei de guit
En hij kreeg de lachers op zijn hand
En alle anderen door de mand
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
Albert Verwey.
In ons lage huis aan de haven verscheen een VreemdeIn ons lage huis
Aan de haven
Verscheen een Vreemde,
Zette zich aan tafel, zegende ons brood.
Brak het en at met ons.
Met de ouders wisselde hij weinig woorden,
Gene met ons, de jongeren,
Mij en u, broeder.
Hij sliep in het voorhuis,
En in de vroegte
Was hij verdwenen.
Maar na zijn verblijf ¬
Weet ge wel? ¬
Konden we aan niets meer denken
Of we dachten aan hem.
We zagen bij 't werk
Zijn blik op ons rusten.
En als het zwaar was
Scheen het
Als stond hij neven ons,
Zodat het licht werd.
Onze ouders hielden
Voortaan - zo scheen het ¬–
Een vriend’lijk geheim, of eerder
Een verstandhouding met elkander:
Zij glimlachten veel in zichzelf,
Zagen elkander aan
En glimlachten.
Toen zij stierven, eerst hij, dan zij,
Was 't of de Vreemde
Naast hun bed stond.
Of er ook and’ren
Zijn die hem zagen?
Wij vraagden het nooit,
Maar als wij omgaan
Onder de mensen
Kan ’t soms gebeuren
Dat, onder ons spreken,
Hun stem en de onze
Stil wordt.
We noemen hem niet,
We hand’len van niets ongewoons,
Maar het is als spraken we van hem.
Ja, soms is 't
Als luisterde hij mee,
Woog onze reed’nen,
Bewoog ons tot woorden.
Wat is het toch, broeder,
Dat onder ons
Zo aldoor omgaat?
Wij kennen het zeker
Aan twee schone deugden:
Vreugde en liefde.
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS WOENSDAG
Ik ben een herfstblad geel gekleurd………………..606
En viel van mijnen tak
Ik wacht hier tot een zool mij scheurt
Of een hoge hak
Mijn vlees is als een kurk zo droog
Mijn nerven bijna leeg
Ik zie nog wel een regenboog
En weldra word ik deeg
De regen valt en doet zijn werk
Ik word weer langzaam grond
Als onderdeel voel ik me sterk
De cirkel is weer rond
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS DONDERDAG
Geloven komt van horen zeggen………………..607
Weten komt van onderzoek
Het is moeilijk uit te leggen
Bekijk het uit een andere hoek
Het is een zaak van perspectief
Van groot of klein en ver of dicht
Alles is zo relatief
Alleen het onderzoek verlicht
Jezelf vormen duurt een leven
De leugen duurt maar één seconde
Moraal en onderzoek die geven
Bevrijding van de zonde
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS VRIJDAG
Wat heb ik aan een lieve hond………………..608
Als mijn kind mij niet ziet staan
En leef ik als een vagebond
Een eng eenzaam bestaan
Wat heb ik aan een vredesduif
Als oorlog rondom woedt
De UNO kauwt een vette kluif
Maar faalt in merg en bloed
Wat heb ik aan een blinde vink
Als de beunhaas oesters eet
Terwijl ik in mijn bootje zink
En niet van wanten weet
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS ZATERDAG
Een stelende schelm was a robbin’ hood………….609
Hij deed de armen niets dan goed
Hij deed de rijken niets dan kwaad
Luister hoe het verder gaat
Hoe worden rijken zomaar rijk ?
Hoe worden lijken zomaar lijk ?
Het is al macht waar het om draait
En geen haan die ernaar kraait
Nu is misdaad een bedrijf
De directeur staat buiten kijf
Hij neemt de kassa op de rug
Verlaat het schip en kapt de brug
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS ZONDAG
Elke nacht leg ik een ei…………………610
Zo kakelbont en vers
De duisternis die hoort erbij
Terwijl ik lig en pers
Elke nacht dan droom ik weer
Van vrede en van recht
Maar overdag ben ik de peer
Wat ook mijn engel zegt
Elke nacht ben ik een god
In ’t diepst van mijn gedacht
Tot ik opsta en het lot
Om mijn illusies lacht
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
.