In Griekenland hebben we een mooie tijd gehad, behalve die jongen dan die blijkbaar in Zaventem een ernstige ziekte had opgelopen. Hij wist blijkbaar niet waar hij het had, zijn eetlust was verdwenen, hij sliep slecht, droomde nare dromen, had last van buikpijn, was neerslachtig en dan weer euforisch, zijn zicht was totaal vertroebeld. Wij zagen het Parthenon, hij zag Karen voor het Parthenon, wij zagen de tempel van Pallas Athena, hij zag Karen voor die tempel, wij zagen de Leeuwenpoort in Mykene, hij zag Karen onder die Leeuwenpoort en zo ging dat maar door, maar hij had de moed niet om de eerste stap te zetten, om haar te laten blijken dat hij zich aan haar interesseerde en om zich tot haar te wenden (meewerkende voorwerpen aub, ik kan niet zeggen: om haar aan te spreken, er hebben al genoeg voorwerpen geleden). Dat duurde zo heel de rondreis, waarbij er trouwens weinig tijd was om ons bezig te houden met meisjes, omdat we bijna alle dagen elders zaten, uit bed, bus op en verder. Slapen deden we niet in hotels, dat zou te duur uitgevallen zijn, maar in jeugdherbergen, bungalows of eerder barakken, en bovendien zaten we toen ook met een hittegolf opgescheept, alle dagen 40° en meer, dus dikwijls sliepen we gewoon buiten.
Agnes hield zich merkwaardig kalm en gedeisd, ze durfde haar toneelstukjes daar blijkbaar niet opvoeren omdat er een leraar mee was die in haar straat woonde, en ze vreesde dat het nieuws eerder thuis zou zijn dan zijzelf. En dan was er ook nog die kameraad van mij, Roger, en ik had de indruk dat zij toch dikwijls in zijn geburen rondhing, zo heel toevallig, en ik had ook de indruk dat de tijd van toneelspelen voor haar voorbij was, voorlopig toch, dat hij niet eens de rol van “de stoere jager” moest of wilde spelen alhoewel zij wel alle moeite deed om haar beste kwaliteiten als “wild” te doen opmerken. Ze besefte het nog niet, maar ze had prijs, hij besefte het ook nog niet en hij liep daar nog rond in de gelukzalige gedachte van die beer en zijn pels, maar toch was hij al verkocht, want als een meisje op jacht gaat … Ce que femme veut, Dieu le veut, nietwaar.
De laatste vier dagen was de rondreis afgelopen en verbleven we aan een kiezelstrand, weer in barakken, op een tamelijk groot domein. Nu ja domein, meer een woest of toch verwilderd gebied met hoog opgeschoten dor gras, hellingen, rotsachtig, met nauwelijks begaanbare paden, maar rustig, met een strand en de zee en meer hebben jonge gasten toch niet nodig. Daar gebeurde het dan toch eindelijk voor die jongen, zijn droom zou dan toch in vervulling gaan alhoewel hij nog altijd niets tegen haar had durven zeggen. Hij had sportkledij aan, korte broek, sportschoenen, en hij ging zoals altijd een toertje lopen en ditmaal langs barak nr. 5, puur toeval en zonder enige bijbedoeling natuurlijk, en dan zo omhoog via die lange helling tot helemaal boven, bij die grote rots, waar hij even ging zitten. Even toevallig wandelde Karen ook tot daar en ineens stond ze daar, tegen die rots geleund, en ze zei vriendelijk goedendag en “dat is nu ook toeval, ik dacht dat ik hier alleen zou zijn”. Hij wist dat hij nu iets moest zeggen, dat dit het moment was en hij zei “Dag”, om één of andere reden kon hij niets anders bedenken, zijn verstand was op hol geslagen en zijn stem stokte in zijn keel. Zijn hersens draaiden op volle kracht om nog iets te bedenken, liefst iets dat indruk zou maken op haar (consequent blijven: meewerkend voorwerp), maar hij kon echt niets bedenken en hij kon toch niet opnieuw “dag” zeggen, want dat zou de indruk kunnen geven dat hij weg was.
Hij kon alleen nog naar haar kijken, hoe zij daar tegen die rots leunde, dat was het mooiste dat hij in heel Griekenland had gezien, maar hij had nog altijd een probleem, de seconden verstreken en misschien de minuten ook wel en hij kon alleen maar bedenken dat er een prachtig lief meisje bij die rots stond. Voor hem klonk die zin niet goed, want eigenlijk wilde hij dat zijn prachtig lief bij die rots stond, maar hij wist helemaal niet hoe hij daaraan moest beginnen. Taalkundig kun je zeggen: neem “meisje” weg die zin en dan heeft hij bijna wat hij wilde namelijk “een prachtig lief stond bij die rots”, en daar moest hij dan nog alleen maar zijn lief van maken, wat niet zo moeilijk kon zijn. Maar als je “meisje” wegneemt uit die zin dan staat er helemaal niets meer bij die rots, en dat was zeker niet zijn bedoeling. Het was het noodlot natuurlijk, Griekenland zat toen nog vol mythologie dus ook vol noodlot, maar hij besefte niet dat hij daar stond met de verkeerde informatie, op het verkeerde tijdstip, op de verkeerde plaats, in de verkeerde kledij, in het verkeerde land. Natuurlijk heeft dat gevolgen.
Hij stond daar met de verkeerde informatie.
Hoe sprak je een meisje aan? Als je haar hand vasthoudt of je kust haar, kan ze dan in verwachting geraken? Het zou eerlijker zijn om te zeggen dat hij daar stond zonder enige informatie over meisjes, hij wist precies zoveel als ik toen, niets dus. Hij kende ook de richtlijnen van onze moeder de heilige kerk, en vermits daaruit niets te leren viel over een lief, zochten zijn hersenen koortsachtig naar andere kennis. De school misschien? Vijfde middelbaar, biologie, deel de Mens? Handboek blz. 85 de man, met een doorsnede en blz. 86 de vrouw, ook doorgesneden, allebei met een afbeelding dus. Hier stond hij echter met een prachtexemplaar dat zelfs niet doorgesneden was. Bladzijde 87 de voortplanting, het mannelijk lid wordt ingevoerd in de schede, waar de zaadlozing plaatsvindt. Het zaadje bevrucht de eicel, die afdaalt in de baarmoeder. Nergens een woord over hoe je aan een lief geraakt, bovendien was het ook al een jaar geleden, hij had op biologie toen maar 68% dus als kennis kon dat zeker tellen en als je uit dat handboek had moeten leren hoe je “het” moest doen, wel veel geluk dan. De ouders? Geen woord over meisjes, nooit over gesproken alsof die zelfs niet bestonden, zij hadden hun plan moeten trekken en het allemaal zelf moeten uitzoeken, wel wij moesten dat dan ook maar kunnen en oudere broers of zusters waarvan hij misschien iets had kunnen opvangen had hij niet.
Ooit had hij eens een documentaire gezien op TV, over een wijfjesluipaard dat daar ging liggen op de grond, dat klauwde naar het mannetje, heel dreigend maar ze zorgde er wel voor dat ze hem niet raakte, zo dreigend moest het nu ook weer niet zijn. Die mannetjesluipaard begon dan cirkels rond haar te draaien, telkens maar rond tot zij uiteindelijk stopte met grollen en klauwen en toegaf. Misschien kon hij ook rond Karen beginnen draaien, misschien had ze die documentaire ook wel gezien? Ze maakte het hem wel heel moeilijk omdat ze tegen die rots leunde en niet in het midden ging liggen zodat hij rond haar zou kunnen draaien. Als hij nu rond haar en die rots zou gaan draaien, misschien begreep ze het toch, maar het was niet mogelijk omdat de achterkant van die rots 10 meter dieper lag, je kon daar gewoon niet rond draaien en hij kon toch ook geen toertjes gaan lopen rond haar en die rots, want naar beneden, dat steil pad af, achter dat bosje door, zo terug langs barak nr. 5 en langs de andere kunt terug die helling op, dat was toch een dikke vier minuten, en bij de tweede doortocht was ze misschien al weg omdat ze het niet begrepen had dus hij zat hopeloos vast.
Hij stond daar op het verkeerde tijdstip.
Karen was een heel geduldig meisje, ze wachtte nu al van in Zaventem toen ze een blik naar hem had geworpen en van Agnes had ze toen in dat roddelgroepje en ook daarna alleen maar goede dingen gehoord over die jongen, ze had nu al veertien dagen geduld gehad in Griekenland zelf, maar er gebeurde niets. Ineens was ze het beu, haar geduld was op, want hij had tenslotte alleen nog maar “dag” tegen haar gezegd en de seconden gingen voorbij. Je kunt haar eigenlijk best omschrijven als een zachtaardige ree, met van die prachtige grote lieve ogen, maar ineens zag hij haar veranderen in een woeste poema, zo maar zonder aanleiding.
Jonge poema’s leren op school blijkbaar ook de tijgersprong, wat eigenaardig is natuurlijk, je zou eerder verwachten dat ze de poemasprong leren, maar met een krachtige tijgersprong hing ze ineens aan zijn nek en hij werd gekust. “Hij werd gekust” is de beste omschrijving om te zeggen wat er gebeurde, want “zij kuste hem” drukt dat veel minder goed uit. “Zij” is wel degelijk het onderwerp, zij nam het initiatief, taalkundig is dat wel juist. “kuste” zou dan het werkwoord zijn, wel ze werkte inderdaad, je kunt zelfs zeggen zonder overdrijving dat ze zwoegde. “hem” zou dan het lijdend voorwerp zijn, maar daar zit nu precies de fout. Een lijdend voorwerp is teveel gezegd, dat zou de indruk wekken dat hij daar nog iets stond te doen, wat niet waar was, hij moest daar gewoon maar staan, de rest deed zij wel. Bovendien was hij geen lijdend voorwerp, hij leed niet omdat ze hem kuste, integendeel zelfs, hij genoot ervan, maar een genietend voorwerp kennen we niet in onze taal. “Hij werd gekust” benadert dus veel beter de werkelijkheid van dat ogenblik.
Terwijl hij daar zo stond gekust te worden dacht hij terug aan Agnes en haar lijdende voorwerpen, hij dacht er aan dat hij dat altijd zorgvuldig vermeden had, ineens kreeg hij zijn verstand terug en veranderde in een meewerkend voorwerp, hij begon mee te kussen en dat was nog veel aangenamer dan alleen maar gekust worden, Karen vond dat trouwens ook en ook zij begon nog harder te werken.
Hij stond daar op de verkeerde plaats.
Hij was een goede loper, maar zelfs een atleet loop de 100 meter niet meer in 11.5 met een woeste poema rond zijn nek en trouwens na die 100 meter hangt die er nog altijd aan, die laat zijn prooi zomaar niet los als ze die eenmaal te pakken heeft gekregen. Mochten ze nu temidden van hun kameraden hebben gestaan, bij de barakken, op het strand, gelijk waar er nog andere mensen waren, dan was het natuurlijk zo niet verlopen. Dan zou hij met Karen misschien toch na verloop van tijd een gesprek hebben aangegaan en dan had hij uiteindelijk toch een intelligente vraag gesteld, zo van “en hoe is het in Griekenland?” of iets in die aard. Hij zou haar toch niet kunnen vragen hebben hoe ze heette of van waar ze was, want dat wist hij al, maar ze stonden daar nu eenmaal alleen, allé met twee, en die rots natuurlijk maar die stond daar allang. Anders zou het allemaal niet gebeurd zijn.
Hij stond daar in de verkeerde kledij in het verkeerde land.
Hij was tenslotte op jacht, dus in feite had hij daar moeten staan in jagersuitrusting met een hoedje op, met een pluim, maar die poema had hem zijn initiatiefrecht afgepakt, zijn jachtrecht, en in plaats van jager was hij nu prooi geworden. Hij stond daar echter licht gekleed, in sportkledij, met sportschoenen, en dat is niet geschikt als bescherming tegen een wilde poema. Nu dacht hij natuurlijk nog altijd aan die loopwedstrijd, daarom was hij feitelijk in sportkledij, hij besefte ook wel dat het zeer moeilijk zou zijn om dat in Griekenland te organiseren, omdat de helft van Bonheiden nu eenmaal niet in Griekenland was en ook omdat de burgemeester van Bonheiden, die Karen als medaille rond zijn nek had moeten hangen of haar overhandigen als trofee, wel omdat die was waar hij thuishoorde namelijk in Bonheiden en niet in Griekenland. Wie zou er dan moeten instaan voor de ceremonie protocollaire? Gelukkig besefte Karen ook zo wel dat hij een goede loper was en dat hij ongetwijfeld toch zou winnen, dus had ze besloten om die wedstrijd maar ineens af te gelasten, ook zij wist dat de burgemeester van Bonheiden daar niet aanwezig was en daarom was ze zelf maar rond zijn nek gevlogen, als gouden medaille, en hij had het dan toch begrepen.
Waarom hadden die scholen nu een reis gepland van 3 weken naar Griekenland, waar het gloeiend heet was zodat je daar enkel in lichte kledij kon rondlopen. Waarom eigenlijk geen daguitstap naar het kasteel van Bouillon, het is daar ook mooi en daar vind je al het nodige gerief om je te beschermen tegen wilde dieren, inclusief een woeste wijfsjespoema. Wat je nodig hebt is eigenlijk zo een harnas van Godfried met helm en maliënkolder. Geen enkele wijfjespoema ter wereld krijgt dat zo maar uit als dat allemaal goed is aangevezen, maar nee, het moest Griekenland zijn, waar je rondloopt nauwelijks gekleed en dat is voor die poema geen probleem, het is verbazingwekkend hoe handig een poema is in het uitkleden van een sportman. Ze hebben echter meer geluk gehad dan Juleke en Fientje, dat is alles.
De reis was voorbij, maar er was iets misgelopen met de terugvlucht zodat we met twee verschillende toestellen terug moesten, wat op zich niet eens erg was zeker niet omdat het voor ons met een splinternieuwe Boeing 707 gebeurde en die hadden we zelfs nog nooit gezien, zo nieuw waren die toen.
In Zaventem stonden de moeder van Agnes en van die jongen samen te wachten en ze verwachtten één koppel, maar ze zagen er twee komen en ze waren er toch even niet goed van. Ze zuchtten allebei: “en het zou toch zo een mooi koppel geweest zijn”.
Wat er verder met al die mensen is gebeurd weet ik niet, en nochtans zijn delen van dit verhaal echt gebeurd: dat van die twee scholen en die gezamenlijke reis naar Griekenland, er waren meisjes mee uit mijn gemeente en ook uit Bonheiden, maar hoe ze heetten weet ik zelfs niet meer, en al de rest is puur verzinsel van
Herman