Terwijl ik dit schrijf komen de heerlijke dampen uit de keuken mij tegemoet. Ik weet niet wat vrouwlief nu weeral klaarmaakt. Eigenlijk weet ik dat nooit van tevoren, tenzij ik stiekem in haar potten piep.
Wat ben ik toch een gelukzak, denk ik vaak, met zo ’n keukenprinses in huis.
Zelf ken ik niets van koken, maar alles wat zij maakt … smaakt me, en dat zeg ik haar ook.
Ik zie ze glunderen en liefdevol neemt ze mijn hand vast. “Voor jou koken is een plezier,” zegt ze, “jij hebt nog nooit gezegd dat mijn eten niet goed was.”
Lachend voegt ze er aan toe: “Als jij ooit alléén komt te staan zal je omkomen van de honger.”
“Omkomen? Er zijn nog restaurants hoor.” - Dat had ik niet mogen zeggen.
“Oh, maar als ge liever naar het restaurant gaat, doe maar.” “Of beter nog, trakteer mij eens! Waar wacht je op?”
Ik kan niet meer terug.
“OK,”zeg ik, “zaterdagavond? Als je kan.”
“Ik kan altijd als jij me uitnodigt. Waar gaan we?”
“Dat zal een verrassing zijn.” Zeg ik zelfverzekerd, al weet ik bij god nog niet waar naartoe ...
“Ik kan ook heel goed vlees braden op de barbecue!?” Probeer ik even later.
“Ja, dat is zo,” geeft ze toe, “mannen en kinderen spelen altijd graag met vuur maar denk nu niet dat je er deze keer zo goedkoop vanaf komt. Zaterdag is het MIJN feestje, en JIJ hebt me uitgenodigd.”
Ik vermaan mezelf als ik bedenk dat ik me even als een gierigaard heb aangesteld. Grootmoedig doe ik nog een voorstel.
“Weet je wat? We gaan zelfs eerst naar de cinema – dat is ook al lang geleden – en daarna ‘La Grande Bouffe’, OK?”
“Oh, dat is lief van je. Misschien kunnen we dan vóór de film nog even door de Bondgenotenlaan lopen ik heb daar ergens een mooi kleedje zien hangen …”
Juist ja!
