Wat was er nu onderweg gebeurd in de gevlochten mand? Dat stelletje lelijke lieve boeven met hun onschuldig gezicht, dronk heimelijk de flesjes kriek en geuze leeg. Omdat telkens de ballast over boord gekieperd werd kon de ballon aan hoogte winnen. De navigatie waren we kwijt gespeeld al van in het begin en omdat Brombeer zijn horloge ondersteboven om had gedaan ( je kan namelijk ook met je polshorloge de windrichting zoeken) keek stropje natuurlijk de verkeerde kant uit. Midden in de nacht kwam eensklaps een sterke wind opzetten en draaide de wind heel onverwachts en omdat een luchtschip nog altijd geen roer aan boord heeft om de steven te wenden, dreven we af naar de Zwitserse bergen of beter gezegd, de wind voerde ons mee naar koudere oorden. Onze hoogte wel bangelijk en zonder zuurstofmaskers die we natuurlijk niet voorzien hadden, kwamen we in ademnood te zitten en dat gecombineerd met van die straffe toebak van drank. We zouden een noodlanding maken stelde kapitein Picard voor, dat moet lukken in die witte vlakte, alleen moeten we oppassen dat we geen hoge toppen mee weg scheren. Brombeer had dan per ongeluk aan een dik touw getrokken waarmee hij een poging deed om zich recht te houden en dat was het touw dat een klep opende om het gas te laten ontsnappen. De ontsnapte gas deed nog een schepje er bovenop. We moesten zo snel mogelijk uit de mand geraken want iedereen begon te fantaseren, zag beelden die er niet waren en hoorden in de verte stemmen, het leek wel of we allemaal naar de hemel gingen of dat er een Ufo uit de hemel nederdaalde, en dat was deze keer geen witte duif want de lichtstralen werden scherper en scherper die we gewaar werden.
Gelukkig had in de volgwagen, waarin Ed met een snelheid van 160 km per uur door de smalle onberijdbare bochten scheerde, ons op tijd waargenomen en die stelde vast dat er iets afschuwelijks gaande was. Door echter een bocht te missen want er stond een plaatje verkeerd opgesteld, nam hij de verkeerd bocht en donderde met zijn klikken en klakken van de weg af een dieper gelegen wei in. Het touw dat Wt bij het vertrek in België zo nonchalant had losgeprutst en zich nog in de cabrio bevond, wikkelde zich om haar enkels terwijl ze in duikvlucht achterover vloog op de achterbank. Doordat Ed uit de verkeerde bocht was gevlogen en de wagen niet langer meester was, was WT overboord gevlogen en in een modderpoel terecht gekomen. Zij hield het voor bekeken riep ze nog na en strompelde vol blubber terug op eigen houtje naar de beschaving. Ed kon zijn beste vrienden toch niet zo maar in de steek laten, dus snelde hij ons ter hulp. Samen met Hermano haalde ze alle bruikbare delen uit de verhakkelde auto en met zijn allen sukkelden we verder, dieper de ingang van die tunnel in. De eerste zorgen werden verstrekt en de Zandman kreeg zijn neuronenpil van mij toegediend, omdat hij de oudste is van de groep werd er zeer nauwlettend op hem toegekeken. Niemand zou verloren gaan, we bleven bij elkaar door dik en dun.
In de ingang konden we niet blijven zitten of liggen, want dan kwamen we om van de koude en het eten dat werd ook al schaarser. Goddank had TLL weeral zijn boog en pijl meegesmokkeld, het kon wel iets voorzien als het moest zijn. Als de nood het hoogst is mag men stropen.
We wilden niet vastvriezen en zo strompelde we allemaal verder. Er scheen echter geen eind aan die lange tunnel te komen, waar leidde die toch naartoe? Onderweg kwamen we ijsschilderingen tegen, dat was toch een teken aan de wand dat hier een beschaving ooit had geleefd? Maar het waren geen fresco’s van de Neanderthalers, het grensde meer aan mensen die in de riddertijd geleefd hadden. Hier en daar kon je een steekspel uitgetekend zien staan en die rare klerendracht die de mensen toen droegen. Wat was hier toch allemaal gaande? Waar zouden we nu weeral in verzeild geraken? We zouden het vlug genoeg te weten komen als we maar eenmaal uit die tunnel geraakten.
De stalactieten werden scherper en we stootten ons hoofd regelmatig aan die scherpe punten. Wat was dat toch voor een ijsgrot? Waren we terecht gekomen in een windgrot, dat kon in mijn ogen niet want windgrotten ontstaan door erosie van het gesteente. Bij windgrotten zorgt de wind ervoor dat kleine zanddeeltjes een schurende werking krijgen op het gesteente waardoor er holtes ontstaan. Dit soort grotten komt vooral in de zandsteengrotten in woestijngebieden voor. Dit hier waren duidelijk geen zandgrotten dus moesten we wel in IJsgrotten zijn die meestal te vinden zijn in grote gletsjers. Ze ontstaan door een eroderende werking van smeltwater wat langs het ijs schuurt. Ijsgrotten kunnen groot worden maar hoe groter ze worden hoe groter de kans wordt op instortingsgevaar.
TLL zei nog van: “zie je nu wel, ik heb het altijd gezegd, laat je niet in met die Kwezel en met Zandman want dan komen we weer in de gepakken peren en de gestoofde koekjes te zitten”.
“Verdorie Telloorlekker”, antwoordde ik hem, “hou nu eens eindelijk op met zeuren”. We bakken er wel het beste van.
Gelukkig had in de volgwagen, waarin Ed met een snelheid van 160 km per uur door de smalle onberijdbare bochten scheerde, ons op tijd waargenomen en die stelde vast dat er iets afschuwelijks gaande was. Door echter een bocht te missen want er stond een plaatje verkeerd opgesteld, nam hij de verkeerd bocht en donderde met zijn klikken en klakken van de weg af een dieper gelegen wei in. Het touw dat Wt bij het vertrek in België zo nonchalant had losgeprutst en zich nog in de cabrio bevond, wikkelde zich om haar enkels terwijl ze in duikvlucht achterover vloog op de achterbank. Doordat Ed uit de verkeerde bocht was gevlogen en de wagen niet langer meester was, was WT overboord gevlogen en in een modderpoel terecht gekomen. Zij hield het voor bekeken riep ze nog na en strompelde vol blubber terug op eigen houtje naar de beschaving. Ed kon zijn beste vrienden toch niet zo maar in de steek laten, dus snelde hij ons ter hulp. Samen met Hermano haalde ze alle bruikbare delen uit de verhakkelde auto en met zijn allen sukkelden we verder, dieper de ingang van die tunnel in. De eerste zorgen werden verstrekt en de Zandman kreeg zijn neuronenpil van mij toegediend, omdat hij de oudste is van de groep werd er zeer nauwlettend op hem toegekeken. Niemand zou verloren gaan, we bleven bij elkaar door dik en dun.
In de ingang konden we niet blijven zitten of liggen, want dan kwamen we om van de koude en het eten dat werd ook al schaarser. Goddank had TLL weeral zijn boog en pijl meegesmokkeld, het kon wel iets voorzien als het moest zijn. Als de nood het hoogst is mag men stropen.
We wilden niet vastvriezen en zo strompelde we allemaal verder. Er scheen echter geen eind aan die lange tunnel te komen, waar leidde die toch naartoe? Onderweg kwamen we ijsschilderingen tegen, dat was toch een teken aan de wand dat hier een beschaving ooit had geleefd? Maar het waren geen fresco’s van de Neanderthalers, het grensde meer aan mensen die in de riddertijd geleefd hadden. Hier en daar kon je een steekspel uitgetekend zien staan en die rare klerendracht die de mensen toen droegen. Wat was hier toch allemaal gaande? Waar zouden we nu weeral in verzeild geraken? We zouden het vlug genoeg te weten komen als we maar eenmaal uit die tunnel geraakten.
De stalactieten werden scherper en we stootten ons hoofd regelmatig aan die scherpe punten. Wat was dat toch voor een ijsgrot? Waren we terecht gekomen in een windgrot, dat kon in mijn ogen niet want windgrotten ontstaan door erosie van het gesteente. Bij windgrotten zorgt de wind ervoor dat kleine zanddeeltjes een schurende werking krijgen op het gesteente waardoor er holtes ontstaan. Dit soort grotten komt vooral in de zandsteengrotten in woestijngebieden voor. Dit hier waren duidelijk geen zandgrotten dus moesten we wel in IJsgrotten zijn die meestal te vinden zijn in grote gletsjers. Ze ontstaan door een eroderende werking van smeltwater wat langs het ijs schuurt. Ijsgrotten kunnen groot worden maar hoe groter ze worden hoe groter de kans wordt op instortingsgevaar.
TLL zei nog van: “zie je nu wel, ik heb het altijd gezegd, laat je niet in met die Kwezel en met Zandman want dan komen we weer in de gepakken peren en de gestoofde koekjes te zitten”.
“Verdorie Telloorlekker”, antwoordde ik hem, “hou nu eens eindelijk op met zeuren”. We bakken er wel het beste van.