Binnenkort gaat weer Parijs-Dakar beginnen, heeft iemand zich al ooit afgevraagd hoe het komt, dat een mens door een woestijn gaat crossen, terwijl hier aan de zee ook zand voorhanden is? Nog niemand heeft hier geroepen: “Joepie, we zijn van Knokke naar De Panne gereden en we zijn aangekomen zonder kleerscheuren.” Als het bekende BV’s zijn roepen ze de tv erbij en de plaatselijke kranten schrijven hun memoires tegen veel geld uiteraard.
Parijs-Dakar is aangekomen! Ze stinken naar een soort exclusieve viriliteit. Naar grote verhalen en naar raadsels. Een zwarte raapt zijn pindanoten bij elkaar, maar ze zijn allemaal vertrappeld. Wie koopt er nu nog vertrappelde pindanoten in Dakar? Je weet het nooit. Er is handel in alles. Achter het hoge stuur van een monstrueuze wagen die meegereden heeft in het defilé, zit een vermoeide bestofte man. Hij kijkt wezenloos voor zich uit. De eindmeet, ze is bereikt en nu is het voorbij. Dat is een feest, maar het kan triest zijn tegelijk. Het is slechts een heel vluchtige, een heel snelle gedachte, maar zo’n zandheuvel, zo’n duintop die je niet ziet, die kan zijn charme hebben. Ze stinken naar woestijn, zweet en benzine en naar dingen die niet te definiëren zijn, maar ze stinken en dat maakt hen nu juist zo aantrekkelijk. Ze stinken naar dingen van onderweg die niemand heeft gezien tenzij zijzelf. En waarover zij vertellen zullen, gedeeltelijk, want er zijn dingen waarover niets wordt gezegd. Alleen zij die erbij waren, weten dat en daar zal niemand ooit een woord over zeggen. Soms een blik, misschien een knipoog, meer niet. Zij stinken en dat is hun groot appeal. Dààr komt er nog een aan, een stofferig monster met brandende lichten, op hoge wielen en met banden die een woestijn hebben verpletterd. Want daar komen zij nu uit vandaan. Zij hebben allemaal baarden zodat zij nu ook nog andere mannen zijn dan die toen vertrokken, drie weken geleden. Zij zitten achter de bestofte ruiten, daar kleeft nog modder tegen, van bij de grens van Mali waarschijnlijk.
“Wij kwamen toch zeker de Niger niet over, hé! Wij mochten de grens niet over! Daar moest je voor betalen en de dikke mannen hadden het meeste geld,” hoorde ik een bekende stem zeggen. Ha ja dat is zeker, dat is altijd zo. Dat is ginder juist hetzelfde zulle. Wat? Dat is ginder nog veel erger. Wat maakt dat die mannen van de grote merken uit of die daar nu nog een smak geld meer bij moeten leggen of niet. Wat maakt een miljoen uit voor die mannen? Niet daar aan die Niger natuurlijk, maar ja, het is geld hier en het is geld daar maar dat maakt voor hen niks uit. Ze hebben toch al zoveel marchandise onderweg moeten achterlaten. Daar ligt voor miljoenen in de woestijn, hé. Tja dat blijft daar liggen, alhoewel. Je weet potverdomme niet hoe ze het doen maar laat eens je wagen achter in het zand. Gijzelf krijgt er hem met zes man nog niet uit, nog met geen tien man. Dan mag je nog een hele dag staan schuppen. Maar ga morgenvroeg maar eens kijken. Weg is die. Hoe die ‘Toearegs’ dat doen, dat is niet te begrijpen. Maar ze zijn ermee weg. Je mag er zeker van zijn, je ziet nog niet meer waar die gestoken heeft. Zand, jong, zand. Daar kan niks of niemand tegenop. “Maar allez, wij moesten de grens over”, zei Koentje. Tussen Niger en Mali. En als je geen geld wilt geven, dan moet je iets anders vinden. En die vader van die ‘Toeareg’ die ons moest doorlaten, die vader die had het speen! En dat was ons geluk. Heb maar eens het speen in de woestijn. Wij zegden tegen hem: awel wij hebben zalf, jong. Als je ons nu doorlaat dan krijgt je die zalf, die zalf tegen het speen. Maar dat was geen zalf tegen het speen, die hadden wij ook niet, dat was iets anders dat wij hadden, dat was van die heel straffe zalf tegen stijve gewrichten en zo, jong, dat brandde gelijk vuur, maar ja wij waren de Niger over,hé. Ik denk dat die Toeareg nu nog altijd door die woestijn aan het lopen is. Die is niet meer tegen te houden. Maar ja, wij stonden daar al achtenveertig uren te wachten, we moesten door. Ze stinken naar dingen die wij niet kennen, naar iets dat gebrand heeft ook, maar wat precies? Als zij er nu niet waren, dan was er geen feest in Dakar. De vlaggen hangen weliswaar halfstok bij de aankomst, voor Sabine. Het is zelfs bijna triest wanneer al die wagens in Dakar over de Place de l’Indépendance rollen. Niet om Sabine, maar omdat het nu gedaan is, omdat het nu afgelopen is, een feest dat op instorten staat. Nog één keer rondrijden, het defilé nog en dan is het voorbij. De eerste vijftien dagen hebben ze zich niet kunnen wassen, niemand gelooft dat maar toch is het zo. Je ruikt hun geuren op twintig meter afstand. Dakar !