Van verlof gesproken.
Met een hele voetbalploeg op verlof gaan was in die tijd geen sinecure, nu gaan die met een privé vliegtuig, in onze tijd moest dat met bus of trein. Er werd dan ook besloten om eens met de ziekenkas naar Zwitserlans te vertrekken maar om de kosten te drukken zouden er drie met de fiets gaan. Een week vroeger vertrekken en een week later terug komen en ze waren weeral twee weken van de grootste lastpotten verlost. De twee grootste lastpotten waren de keeper en de midvoor en ik had de naam van de allergrootste te zijn om dat ik de anderen niet in toom kon houden, wat dan meestal resulteerde in ons vader zijn beroemde oorvijgen.
Maar daar er voor ons niet gereserveerd was in het hotel moesten we ergens anders slapen. Dan maar lid gemaakt van de jeugdherbergen. Het woord herbergen deed ons natuurlijk al watertanden, eindelijk eens straffeloos dingen kunnen doen die we anders toch niet mochten. Viel dat lelijk tegen zeg, de afwas die kon ik thuis ook wel doen en eten klaar maken ook. Maar gelukkig hadden we een klein tentje mee voor in geval van.
Natuurlijk zijn we niet zomaar blindelings aan dit avontuur begonnen. Eerst oefenen, te beginnen met kleine tripjes in de omgeving (meestal naar Scherpenheuvel,tot daar de raakpunten met Kwezel)maar algauw werden dat serieuze trips. Ik zal het nooit meer vergeten hoe ik uiteindelijk boven geraakt ben op de muur van Geraardsbergen met een fiets van wel 30 kg. Dat ze dat nu maar eens proberen. Het naar beneden rijden ging natuurlijk veel beter.
Na verloop van tijd begonnen we dan aan meerdaagse trips, met volgeladen fietsen, tent en slaapzak mee, allerlei gerief om eventuele defecten te herstellen en een hele keuken om ons eten klaar te maken maar geen borden, we zouden wel uit een gemeenschappelijke pot eten, dat bespaarde me een hele hoop afwas. Ons vader stuurde ons samen met een neef(die moest mij dan in't oog houden)op pad, gaf ons een plan met de te volgen route mee en zo weinig mogelijk geld. We moesten onze plan maar trekken.
Onze route ging de eerste dag ergens naar Limburg om aan het einde van de derde dag aan te komen ergens in de Antwerpse Kempen, ik denk in de buurt van een of ander pretpark. Daar hebben we van ons laatste geld nog wat brood gekocht en dit met al de restjes die we nog hadden verorberd. 's Anderendaags zijn we dan volgens ons reisplan op het aangeduide uur vertrokken met in acht name van de te volgen weg, en gelukkig maar. Na een goed uurtje gefietst te hebben zien we uit de tegenovergestelde richting een fietser komen die ons verdacht veel bekend voorkwam. Ons vader. Ik dacht al direct, goed dat we alles stipt gevolgd hebben en moest dus niet vrezen voor zijn beroemdheden en inderdaad, we stoppen en hij zei; Awel manne, hoe ist? Ge ziet er precies goed uit. En, nog wat geld over? Nu triomfeerde ik natuurlijk en liet hem de paar frankskes zien die ik nog zitten had en zei dat we zelfs nog een beetje brood hadden en vroeg of hij ook een boterham wilde. Ik dacht al, dju ik ben toch weer niet te vrank geweest maar nee hoor, hij fietste met ons terug naar dat pretpark en trakteerde ons op frieten met kip en appelmoes.
Maar was hij ons nu tegemoet gekomen uit bezorgdheid of omdat hij moest van ons moeder omdat die nog bezorgder was, ik ga dat toch eens moeten vragen, nu in het computertijdperk kan dat zonder oorvijgen te riskeren.
Hoe we nu uiteindelijk in Zwitserland beland zijn vertel ik nog wel nadat ik op Leuven foor met bloemsuiker heb gaan smijten naar Kwezel haar man.
Brombeer
Met een hele voetbalploeg op verlof gaan was in die tijd geen sinecure, nu gaan die met een privé vliegtuig, in onze tijd moest dat met bus of trein. Er werd dan ook besloten om eens met de ziekenkas naar Zwitserlans te vertrekken maar om de kosten te drukken zouden er drie met de fiets gaan. Een week vroeger vertrekken en een week later terug komen en ze waren weeral twee weken van de grootste lastpotten verlost. De twee grootste lastpotten waren de keeper en de midvoor en ik had de naam van de allergrootste te zijn om dat ik de anderen niet in toom kon houden, wat dan meestal resulteerde in ons vader zijn beroemde oorvijgen.
Maar daar er voor ons niet gereserveerd was in het hotel moesten we ergens anders slapen. Dan maar lid gemaakt van de jeugdherbergen. Het woord herbergen deed ons natuurlijk al watertanden, eindelijk eens straffeloos dingen kunnen doen die we anders toch niet mochten. Viel dat lelijk tegen zeg, de afwas die kon ik thuis ook wel doen en eten klaar maken ook. Maar gelukkig hadden we een klein tentje mee voor in geval van.
Natuurlijk zijn we niet zomaar blindelings aan dit avontuur begonnen. Eerst oefenen, te beginnen met kleine tripjes in de omgeving (meestal naar Scherpenheuvel,tot daar de raakpunten met Kwezel)maar algauw werden dat serieuze trips. Ik zal het nooit meer vergeten hoe ik uiteindelijk boven geraakt ben op de muur van Geraardsbergen met een fiets van wel 30 kg. Dat ze dat nu maar eens proberen. Het naar beneden rijden ging natuurlijk veel beter.
Na verloop van tijd begonnen we dan aan meerdaagse trips, met volgeladen fietsen, tent en slaapzak mee, allerlei gerief om eventuele defecten te herstellen en een hele keuken om ons eten klaar te maken maar geen borden, we zouden wel uit een gemeenschappelijke pot eten, dat bespaarde me een hele hoop afwas. Ons vader stuurde ons samen met een neef(die moest mij dan in't oog houden)op pad, gaf ons een plan met de te volgen route mee en zo weinig mogelijk geld. We moesten onze plan maar trekken.
Onze route ging de eerste dag ergens naar Limburg om aan het einde van de derde dag aan te komen ergens in de Antwerpse Kempen, ik denk in de buurt van een of ander pretpark. Daar hebben we van ons laatste geld nog wat brood gekocht en dit met al de restjes die we nog hadden verorberd. 's Anderendaags zijn we dan volgens ons reisplan op het aangeduide uur vertrokken met in acht name van de te volgen weg, en gelukkig maar. Na een goed uurtje gefietst te hebben zien we uit de tegenovergestelde richting een fietser komen die ons verdacht veel bekend voorkwam. Ons vader. Ik dacht al direct, goed dat we alles stipt gevolgd hebben en moest dus niet vrezen voor zijn beroemdheden en inderdaad, we stoppen en hij zei; Awel manne, hoe ist? Ge ziet er precies goed uit. En, nog wat geld over? Nu triomfeerde ik natuurlijk en liet hem de paar frankskes zien die ik nog zitten had en zei dat we zelfs nog een beetje brood hadden en vroeg of hij ook een boterham wilde. Ik dacht al, dju ik ben toch weer niet te vrank geweest maar nee hoor, hij fietste met ons terug naar dat pretpark en trakteerde ons op frieten met kip en appelmoes.
Maar was hij ons nu tegemoet gekomen uit bezorgdheid of omdat hij moest van ons moeder omdat die nog bezorgder was, ik ga dat toch eens moeten vragen, nu in het computertijdperk kan dat zonder oorvijgen te riskeren.
Hoe we nu uiteindelijk in Zwitserland beland zijn vertel ik nog wel nadat ik op Leuven foor met bloemsuiker heb gaan smijten naar Kwezel haar man.
Brombeer