Om terug te keren naar de dingen die me nogal eens FRUSTRATIES gaven, hier dan weer een ware gebeurtenis van een drietal jaren geleden.
Kan ik er om lachen? Achteraf wel maar als het gebeurt dan geeft het ... frustratie.
Daags nadat de sportarts me een injectie met kruidenmedicijn had gegeven was mijn linkerknie plots vervaarlijk beginnen opzwellen. Ook mijn onderbeen werd dik en stijf.
‘Ga toch naar de huisdokter,’ zegt mijn vrouw, ‘dit is niet meer normaal!’
‘Goed, als het morgen niet beter is dan ga ik.’
Bij het ontwaken voel ik aan mijn knie de nu helemaal stijf is en veel pijn doet.
Naar de dokter dus. Het lijkt wel of ik een olifantspoot heb want mijn onderbeen is bijna even dik als mijn knie.
‘Spoedgeval.’ Onze huisarts is formeel: zo vlug mogelijk naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Mijn vrouw zal me brengen en omdat het zo dringend is besluit ze om later op de dag terug te komen met mijn pyjama en toiletgerief.
Met de steun van een kruk geraak ik met veel moeite van de auto tot aan de receptie van de ‘Urgence’, want voor alle duidelijkheid; dit is een Brussels ziekenhuis ...
Mijn vrouw geeft de brief van de huisdokter aan de receptioniste en die wordt plots onvriendelijk wanneer ik in het Nederlands antwoord als ze me in het Frans aanmaant om op een draagberrie te gaan liggen.
Ik wordt naar een koele ontvangstruimte geduwd en nadat ze rondom mij de gordijnen hebben dichtgetrokken, net als in een paskamer, wordt mijn vrouw weggestuurd.
Het is ondertussen bijna middag en ik begrijp dat men mij nu niet dadelijk gaat verder helpen. Toch duurt het nog minstens een uur eer dat er een jonge dokter in mijn pashokje verschijnt.
‘Quel est votre problème?’ Vraagt hij nors.
‘Mijn linkerbeen is helemaal dik en doet pijn.’ Antwoord ik.
‘Vous ne parlez pas Français?’,vraagt hij hooghartig.
‘Een beetje,’ zeg ik ‘maar ik versta beter Nederlands.’
Als door een bij gestoken draait hij zich om en verdwijnt door de gordijnen.
Weer duurt het een half uur voor ik iemand in mijn hokje zie.
Een verpleger komt mijn bloeddruk meten en loopt weer weg als ik vraag of men mijn been niet gaat onderzoeken.
Na weer een kwartuur verschijnt een jonge vrouw die Nederlands spreekt en me naar de Radiografiekamer brengt.
Ik word op de tafel gelegd en in het Frans gevraagd om me links, op de rug en rechts te draaien om foto's te kunnen maken.
Na nogmaals een half uur wachten op de gang komt iemand me halen en brengt me naar het tweede verdiep; orthopedieafdeling.
Ik krijg een plaatsje in het eerst bed van een tweepersoonskamer. In het andere bed bij het venster ligt iemand te kermen die blijkbaar pas wakker is geworden na een zware operatie.
Ik vraag hem of ik iets kan doen, bellen voor een verpleegster misschien, maar er komt geen antwoord.
Even later komen er twee verpleegsters, de gordijnen tussen onze bedden gaan dicht en ik hoor Frans praten. Uit het gesprek versta ik dat ze mijn buurman proberen uit te leggen dat hij op de knop van de pijnpomp moet drukken als de pijn te hevig wordt.
De gordijnen gaan weer open en een half uur later verschijnt er een vrouw in een lang kleed en met een hoofddoek op in de kamerdeur. Ze gaat langzaam tot aan het voeteinde van het tweede bed en kijkt naar de nog steeds kreunende man. Wanneer ze hem schijnt te herkennen loopt ze terug naar de deur en laat twee jongere vrouwen, een man en drie kinderen binnen.
Omdat de jonge vrouwen goed Frans praten veronderstel ik dat ze van Marokkaanse afkomst zijn.
Ze beginnen heel luid te spreken en de patiënt te ondervragen, of hij nog veel pijn heeft en geen honger soms? De oudere man geeft enkel kreunend antwoord.
Uit twee zware, veelkleurige boodschappentassen haalt de familie een hele hoop voedsel en frisdrank tevoorschijn en begint waarachtig aan hun lunch.
Na nog geen tien minuten is het lawaai van de vrouwen en stoeiende kinderen zo luid geworden dat het tot in de gang moet hoorbaar geweest zijn want een struise verpleegster komt de kamer ingestormd en wil dat er slechts twee bezoekers per bed in de kamer aanwezig blijven. De rest moet op de gang blijven wachten.
Met veel tegenzin gaan de kinderen met een van de jongere vrouwen naar buiten maar na vijf minuten staan ze weer allemaal binnen rond het bed en lunchen verder.
Ondertussen is mijn vrouw aangekomen met mijn kleren en toiletgerief en vraagt me of ik al verzorging kreeg. Als ik neen schud loopt ze vrij kwaad de gang in en komt even later terug met een jongere man die een lange naald in mijn rechterarm steekt en er een Baxter aanlegt. ‘Voor de minder worden van de gezwel ...’, probeert hij uit te leggen.
Daarmee moet ik het dan maar verdere doen want naar zijn zeggen zijn er geen dokters meer beschikbaar vóór maandagochtend. ‘Het is nu eh ... vrijdak - avond en vijf uur. De weekend wordt hier op orthopedie niet ge - snijden ... ’ Daarmee moet ik het maar doen.
Die nacht doe ik geen oog dicht. Mijn kamergenoot heeft blijkbaar nog heel veel pijn, kreunt luidop en bidt tot Allah terwijl de verpleegsters af en aan lopen om hem te verzorgen.
De volgende dag wordt ik naar een andere kamer overgeplaatst en blijft de man alleen achter.
Het verhaal wordt weer langer dan ik eerst dacht, ik zal het maar in twee stukken kappen ... tot morgen.
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.