Dat is nu juist de truk he Jadi.
Vooruit ik laat je niet langer in spanning.
Alvast bedankt voor de aandacht.
.... We zien hoe het hek aan de benedenkant van de boomgaard openzwaait en boer René in de boomgaard stapt.
Plots draait hij zich om, richting pachthof. “Raymond, waar blijft gij?” Brult hij.
Met zijn stok in aanslag stapt hij op de dichtstbijzijnde koe af. Het dier schrik en loopt de andere kant op maar de man zit haar achterna en heeft ons niet gezien.
Ondertussen probeer ik mijn broer te bevrijden en friemel aan het wollen kledingstuk. Onwillekeurig laat ik de bovenste draad wat losser en maak hierdoor het kluwen nog erger. De kleine zit nu aan beide kanten vast. Als een worm wringt hij zich uit zijn trui en laat zich hijgend naast mij in het gras vallen. Over zijn linkerwang zit een schram van een vijftal centimeter maar hij schijnt er niets van te voelen.
We liggen plat in de greppel en wachten met kloppend hart op wat nu komen gaat.
René zit nog steeds die ene koe achterna en wanneer hij ze door de poort naar buiten drijft staat hij met zijn rug naar ons en roept voor de derde keer naar zijn jongste zoon: “Raymond, luiaard, waar zit ge weer?”
Mil maakt van die gelegenheid gebruik om met een paar rukken zijn pull-over los te trekken.
Twee grote gaten in het breiwerk zijn het resultaat.
We proppen onze broekzakken vol met zoetlingskes en sluipen op handen en voeten weg van deze gevaarlijke plek. De overige appels in de greppel halen we straks wel op als het donker is.
Eenmaal aan ons tuintpoortje gekomen durven we weer rechtop lopen en schuiven vlug langs de achterdeur naar binnen. Aan de keukentafel laten we ons op een stoel neervallen en zonder dralen werken we onze buit naar binnen.
Als moeder van haar werk komt en met haar fiets het steegje inrijdt, ziet ze ons buiten spelen.
Nog vóór ze van haar fiets stapt heeft ze de schram op Mil zijn wang al gezien.
“Hé wel, wat heb je nu weer uitgestoken? En waar is uw trui? Hebt gij gene kou?” Drie vragen tegelijk. “’t Is te warm,..” zegt Mil en glipt vlug naar binnen waar hij de kapotte trui snel in de kamer verstopt.
“Vooruit gij ook naar binnen,”en als ik haar passeer geeft ze me een tik tegen mijn achterhoofd.
Eenmaal binnen haalt ma het brood uit de kast en begint dadelijk een boterham te snijden.
“Vooruit aan tafel, we gaan eten!”
Het kost haar heel wat moeite om het zwart rantsoenbrood te snijden want het plakt zodanig aan het mes dat ze een tweede mes nodig heeft om het eerste af te schrapen.
Met tegenzin ga ik aan tafel zitten. “Ik heb geen honger,..” probeer ik.
“Dan legt ge er uwe kop maar bij.” Zegt ze resoluut.
Ze is blijkbaar niet in de stemming om veel complimenten te maken.
“En gij, schavuit, ook geen honger?” vraagt ze aan Mil die ondertussen alweer zijn piottenmuts op heeft.
“Wij hebben zoetelingskes gegeten die we gekregen hebben van Raymond,” liegt hij “en straks krijgen we er nog.”
Hij pinkt in mijn richting en met zijn hand op zijn maag laat hij ostentatief een dikke boer.
---------------------------------------------
* Piot = een infanterist, voetsoldaat, of gewone soldaat zonder rang.
Maar dat wisten jullie al zeker?
Vooruit ik laat je niet langer in spanning.
Alvast bedankt voor de aandacht.
.... We zien hoe het hek aan de benedenkant van de boomgaard openzwaait en boer René in de boomgaard stapt.
Plots draait hij zich om, richting pachthof. “Raymond, waar blijft gij?” Brult hij.
Met zijn stok in aanslag stapt hij op de dichtstbijzijnde koe af. Het dier schrik en loopt de andere kant op maar de man zit haar achterna en heeft ons niet gezien.
Ondertussen probeer ik mijn broer te bevrijden en friemel aan het wollen kledingstuk. Onwillekeurig laat ik de bovenste draad wat losser en maak hierdoor het kluwen nog erger. De kleine zit nu aan beide kanten vast. Als een worm wringt hij zich uit zijn trui en laat zich hijgend naast mij in het gras vallen. Over zijn linkerwang zit een schram van een vijftal centimeter maar hij schijnt er niets van te voelen.
We liggen plat in de greppel en wachten met kloppend hart op wat nu komen gaat.
René zit nog steeds die ene koe achterna en wanneer hij ze door de poort naar buiten drijft staat hij met zijn rug naar ons en roept voor de derde keer naar zijn jongste zoon: “Raymond, luiaard, waar zit ge weer?”
Mil maakt van die gelegenheid gebruik om met een paar rukken zijn pull-over los te trekken.
Twee grote gaten in het breiwerk zijn het resultaat.
We proppen onze broekzakken vol met zoetlingskes en sluipen op handen en voeten weg van deze gevaarlijke plek. De overige appels in de greppel halen we straks wel op als het donker is.
Eenmaal aan ons tuintpoortje gekomen durven we weer rechtop lopen en schuiven vlug langs de achterdeur naar binnen. Aan de keukentafel laten we ons op een stoel neervallen en zonder dralen werken we onze buit naar binnen.
Als moeder van haar werk komt en met haar fiets het steegje inrijdt, ziet ze ons buiten spelen.
Nog vóór ze van haar fiets stapt heeft ze de schram op Mil zijn wang al gezien.
“Hé wel, wat heb je nu weer uitgestoken? En waar is uw trui? Hebt gij gene kou?” Drie vragen tegelijk. “’t Is te warm,..” zegt Mil en glipt vlug naar binnen waar hij de kapotte trui snel in de kamer verstopt.
“Vooruit gij ook naar binnen,”en als ik haar passeer geeft ze me een tik tegen mijn achterhoofd.
Eenmaal binnen haalt ma het brood uit de kast en begint dadelijk een boterham te snijden.
“Vooruit aan tafel, we gaan eten!”
Het kost haar heel wat moeite om het zwart rantsoenbrood te snijden want het plakt zodanig aan het mes dat ze een tweede mes nodig heeft om het eerste af te schrapen.
Met tegenzin ga ik aan tafel zitten. “Ik heb geen honger,..” probeer ik.
“Dan legt ge er uwe kop maar bij.” Zegt ze resoluut.
Ze is blijkbaar niet in de stemming om veel complimenten te maken.
“En gij, schavuit, ook geen honger?” vraagt ze aan Mil die ondertussen alweer zijn piottenmuts op heeft.
“Wij hebben zoetelingskes gegeten die we gekregen hebben van Raymond,” liegt hij “en straks krijgen we er nog.”
Hij pinkt in mijn richting en met zijn hand op zijn maag laat hij ostentatief een dikke boer.
---------------------------------------------
* Piot = een infanterist, voetsoldaat, of gewone soldaat zonder rang.
Maar dat wisten jullie al zeker?
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
is de rijkste die er leeft.