8 Mei 1940
Volgens mijn zus zijn wij op 18 Mei in Le Fousserette aangekomen. Een dag voor Pinksterzondag. Zo zeker weet ik het niet meer. Maar ik voelde mij op het perron alsog ik uit een zwalpende boot net aan wal was gestapt. Een beetje onwezenlijk na die lange treinreis. En al die mensen die ons verwelkomden. Langzaam drong het tot ons door dat zij opgeroepen waren om ons huisvesting te bezorgen of in te kwartieren.
Een kleine heer met een alpinomuts, een enorme grijze snor met sierlijke krullen op de uiteinden, gekleed in een rijbroek met zwarte, stijve leren beenstukken (getten noemden wij dat) had meer dan gewone belangstelling voor ons verfomfaaide groepje. Hij monsterde ons als een Arabische slavendrijver leek mij. Hij stapte op mijn vader af en vroeg of wij één gezin vormde. Met de belangstelling van een Fransman keek hij naar mijn oudere zussen.
Toen respectievelijk 17, 18, en 19 jaar oud. “ Venez” zei hij en leidde ons verder buiten de omheining van het station naar een gespan met paard. Een soort sjees. Zo goed en zo kwaad mogelijk werden onze spullen en fietsen op het karretje geladen. Mijn moeder en zussen vonden ook nog een plaatsje op en tussen het gepak. Mijn vader, en ik op zijn schoot, zaten op het bankje vooraan naast Monsieur Pages. Want dat was de naam van onze gastheer. Hij sprak het uit als “Pagèsse”. (Nu ik er weer aan terugdenk, hij leek een beetje op De Funes. Dezelfde levendige gestjes en maniertjes.) Terwijl hij zijn paard mende ging zijn vrije hand met korte tussenpozen naar de uiteinden van zijn snor om de krul te verzorgen en in de goede plooi te houden. Een gebaar dat ik nog dikwijls zou zien en sedertdien feilloos kon naäpen Hij noemde mijn vader ook steeds Monsieur ….waarbij hij de laatste klinker en medeklinker van onze naam klankrijk liet nagalmen. Zo draafden wij onze onbekende bestemming tegemoet. Monsieur Pages vertelde ondertussen dat hij ons naar zijn huis bracht in Saint Julien. Het dorp waar hij woonde. De rit eindigde met een korte bocht naar rechts op een brede baan; een hoofdweg. Monsieur Pages bracht de calèche tot stilstand op het erf van een hoge grijze woning . Een statige en rijzige en grijze vrouw, iets groter dan Monsieur Pages, stond ons op te wachten: Madame Pages. Met een gereserveerde vriendelijkheid, een beetje schooljufferachtig, verwelkomde zij ons. Zij keek een beetje minachtend en spottend naar haar man toen zij de drie jeugdige dames van het gezelschap in de gaten kreeg. Eindelijk konden wij ons behoorlijk wassen en verzorgen. Daarna werden wij uitgenodigd aan tafel voor het souper. Opvallend een paar karaffen gevuld met rode wijn en water op tafel. Nooit gezien! Monsieur Pages praatte honderd uit en complimenteerde mijn oudste zus die de franse taal op school geleerd had en rood werd. Eindelijk ook weer warm eten; soep en aardappelen, groenten. Er werd vrolijk getaterd, zelfs door degenen die de taal niet spraken, in ’t Vlaams en met handen en voeten. Misschien door de wijn; aangelengd met water zoals het daar de gewoonte was. Het was een feest.
Na het eten leidde Monsieur Pages ons rond in zijn domein, terwijl mijn zussen Madame hielpen bij het opruimen en het in orde brengen van ons logement. Het domein van Monsieur Pages waren vooral kelders waar enorm grote houten vaten lagen, gevuld met wijn. Op de voorkant met krijt geschreven cijfers en woorden waarvan ik niks begreep. Met grote ogen en open mond keek ik omhoog naar die grote vaten. Ik besefte dat ik maar een heel klein jongetje was. In zo een vat kon volgens mij gemakkelijk een familie wonen. Zo groot. Monsieur Pages was dus wijnboer. Mijn vader begreep al snel dat hij goed van pas kwam om de gastvrijheid van Monsieur Pages dankbaar te belonen met zijn aangeboden hulp.” Voilà, voilà, on verra ça demaing “ zei Monsieur Pages; zeer content voor het begrip van mijne pa.
Alras vonden wij allen onze slaapstede en sliepen vermoeid en vredig in. Wij waren onder dak en gered. En “demaing” is het zondag. Volgens mijn zus Pinksterzondag. Wie zal het zeggen?
Het denken mag zich nooit onderwerpen!