Goejedag
Ik was 13 jaar toen de duitsers België binnen vielen; 17 toen de oorlog eindigde. Ik heb de oorlog meegemaakt tijdens de jaren van volle verstand, veel is in mijn herinnering vervaagd, verkleurd of verdwenen, maar er blijft nog genoeg over om er wat over te vertellen.
Op 10 mei1940 begon het. Het was zeer mooi weer. Heel vroeg werd er al geschoten, “’t’is oorlog” zei mijn vader direct en zette de radio op. Op straat was er een paniekerig geloop, en men begon al direkt te spreken van te vluchten. Die eerste dag (of was het de tweede) vlogen er een paar duitse vliegtuigen (Stuka’s??) in duikvlucht over Merksem, en lieten een paar bommen vallen. Waar ze vielen weet ik niet, men zei dat ze de bruggen over het Albertkanaal vizeerden, maar die bleven alleszins intact. Ik weet dat ik doodsbang was. Toen die vliegtuigen boven huilend naar beneden doken, viel ik op mijn knieën voor het Mariabeeld.
Er werd de volgende dagen paniekerig gereageerd, allerlei verhalen over duitse wandaden, het een al gruwelijker dan het andere, deden de ronde, en er gingen al maar meer mensen op de vlucht, maar het bleef toch meest beperkt tot mensen die een geschikt vervoermiddel hadden, en die wisten waar naartoe, ergens bij familie of waar zij een plaats wisten om er te verblijven.
Mijn vader had 4 jaren in de loopgraven van de IJzer gelegen, hij kende wat van oorlog en strategie, en na bestudering van de situatie, besloot hij niet weg te gaan maar af te wachten.
Mijn vader had het juist voor. Vluchten? Hoe en naar waar? Het huis onbewaakt achterlaten, mekaar en de wederzijdse legers in de weg lopen, om uiteindelijk gekneld te geraken en helemaal niet meer weg te geraken. Hij had alleen schrik dat het Albertkanaal waar we langs woonden, een front zou worden tussen 2 legers.
Dwars door Merksem liep (en loopt nog) de Bredabaan, een bijna rechte weg van Antwerpen naar Breda, de voornaamste verbinding tussen België en Nederland. Op een bepaald punt was die weg zeer smal, misschien maar 10 m., voetpaden inbegrepen, en dan moesten de trams er nog door; toen bleek dat voldoende te zijn , later werd dat verbreed en nog later kwamen er enkele autostrades die weg vervangen, maar destijds in 1940, was 10 m nog voldoende. Men kan zich dat nu echt niet meer voorstellen.
Ik herinner me dat er in die dagen nogal wat beweging was op de Bredabaan. Aan en afrijdende soldaten, ik meen dat er Fransen bij waren. Meestal moe en onfris zowel de vrachtwagens als de manschappen die ze vervoerden. Ons huis stond in een zijstraat op een 50 m ervan, dus kon ik dat in het oog houden, want ik was nogal nieuwgierig van aard. Ik denk dat de scholen dicht bleven, hier en daar werd nog wel wat gewerkt, want het leven moest voortgaan.
Er werd veel verteld over duitse valschermspringers, en dat men daar moest naar uitkijken. Op zekere dag was er veel rumoer op de straat, en werd beweerd dat men een hele troep valschermspringers had weten te overmeesteren, en ja hoor, ze kwamen van ver aangemarcheerd, richting Antwerpen, soldaten in een grijsgroen uniform. Het bleken Nederlanders te zijn. Men zei dat die over Antwerpen Zeeland wilden bereiken, om daar hun land te gaan verdedigen. Te voet dus; ik weet niet of die Hollanders voor het einde van de oorlog Zeeland hebben bereikt.
Het ging niet goed met de verdediging van het vaderland, en mijn vader vond het toch beter het Albertkanaal over te steken, tot in Antwerpen, dan konden we eventueel weer rap terug. Vader, moeder, mijn 2 zusters en ik, elk met zijn fiets, die toen nog “velo” heette, beladen met van alles en nog wat, maar meestal kleren, in een laken gedraaid. De brug van ’t Sportpaleis over...
Wij belandden in de Jacob Jacobstraat . Daar hadden wij verre familieleden wonen, zeer ver, tot op de dag van heden weet ik niet hoe de familieband ik mekaar zat, ik moet niet meer hopen het nog te weten ten komen. Nonkel Jef, een orthopedische schoenmaker en tante Lisa. Nonkel Jef was een vriendelijke, olijke man, met een gote moustache, weggelopen uit een vrolijke musical, Mary Popins of zo, maar toen bestonden er nog geen musicals, dat kon dus niet. De Jacob Jacobstraat ligt pal in de Jodenbuurt, ik denk dat ge in heel Antwerpen geen joodsere straat kunt vinden. Het enige dat ik me daarvan herinner is een straat vol groepjes fel gesticulerende heren met baard, met een lange zwarte jas en
zwarte hoed, en vrouwen en kinderen die vrachtwagens aan het volladen waren. Toen wist ik niet wat er met die mensen nog zou kunnen gebeuren. Hopelijk hebben zij veiliger oorden bereikt.
We waren er nog maar één dag of mijn vader verkondigde dat we terug naar huis gingen. Men had verkondigd dat we 48 uur moesten binnen blijven. “Dat betekend dat de stad zonder slag of stoot wordt overgegeven “ zij mijn vader enigszins opgelucht, “ze gaan de bruggen doen springen; we moeten onmiddelijk terug, anders zitten we hier opgesloten.” De lakens met van alles en nog wat terug op de velo, dag Nonkel Jef en tante Lisa, tegen de stroom van nog steeds vluchtende mensen in de andere richting over de brug van ’t Sportpaleis.
....wordt vervolgt. Daag. Amadeus.