dinsdag, 8 september 2009,
reeks 1 wiskundige problemen en probleempjes,
hier gaan we.
1) In een zak zitten 10 paar zwarte handschoenen en 10 paar
rode handschoenen. Hoeveel handschoenen moet ik er zonder
kijken, minstens uitnemen, om zeker te zijn dat ik een paar
heb van dezelfde kleur?
2) Als één eurocentje 1 mm hoog is en tante zou een toren kunnen
maken met 1000 euro, uitbetaald in eurocentjes, hoe hoog zou
die toren dan zijn, uitgedrukt in km?
3) Als je het verschil zoekt van
- het product van twee opeenvolgende getallen, met
- het kleinste van die getallen,
wat vind je dan altijd?
4) Een man metst een muurtje in zes uur; een vluggere man doet
het in 2 uur. Hoelang duurt het als ze samen metsen?
5) Rangschik volgende breuken van klein naar groot ...
23/50, 29/55, 31/60, 36/65 en 33/70.
6) In glas A zit 100 ml rode wijn,
in glas B zit 100 ml water.
Ik giet uit B 10 ml water in A en meng;
ik giet dan uit A 10 ml mengsel in B en meng.
Wat is nu groter?
- de hoeveelheid water in A, of
- de hoeveelheid wijn in B.
8 ) Hoeveel is 2007 : ( 2 + 0 + 0 + 7) ?
9) Waar of niet waar? (+ waarom of waarom niet?)
Als in een bak 100 kg aardbeien liggen, en een onderzoek toont
aan dat ze voor 99% uit water bestaan; dan zal, als we de massa
indrogen tot we nog 50 kg hebben, het watergehalte nu 98% zijn.

Als oppervlakte Q = oppervlakte T,
bereken dan de waarde x.
Veel succes iedereen -
nieuwe leerlingen graag welkom.
Voor meespeelregeltjes ... zie blz 1
tot morgenavond?
denook