goede avond iedereen,
de vier leerlingen losten elk een vraag op, en juist.
Dus:
vraag 8 ) lotte - ok
vraag 7) pastoor - ok
vraag 4) sloeberkebebo - ok
vraag 3) troontje - ok.
En nu even naar de opmerking van pastoor.
Er zijn 'eigenlijke' punten en 'oneigenlijke' punten.
Een 'oneigenlijk' punt is een punt dat 'op oneindig' ligt.
Normaal werken we in het 'eigenlijk' vlak; daar rekenen we de
punten 'op oneindig' niet bij.
In het eigenlijk vlak hebben evenwijdige rechten geen punten gemeen.
Werken we ook met oneigenlijke punten, dan hebben evenwijdige
rechten ook één punt gemeen, een snijpunt op oneindig.
De vraag 4 komt uit een toets van het derde middelbaar. Daar kennen
de leerlingen nog geen oneigenlijke punten.
Ik had voor pastoor (- en voor wie nog?-) bij de vraag beter geschreven
dat we werken in een 'eigenlijk' vlak, wat dus wel de bedoeling was.
Tot daar.
Het zinnetje 'in de wiskunde is het begrip 'oneindig' een axioma'
is niet juist.
Een axioma moet een bewering zijn.
Voorbeelden van axioma's:
- door twee verschillende punten gaat steeds één rechte,
- door een punt, niet op een gegeven rechte gelegen, gaat steeds
één rechte, evenwijdig aan de eerste.
Ik hoor mijn leraar in het eerste middelbaar nog zeggen:
"een axioma is een waarheid die zo simpel is dat we ze niet bewijzen".
Totaal verkeerd:
"EEN AXIOMA IS EEN WAARHEID DIE NIET KAN BEWEZEN WORDEN".
Toch nog even naar de punten op oneindig van pastoor; dat is wel mooi
en maakt vele bewijzen in de hogere wiskunde gemakkelijker.
Een rechte heeft een vergelijking van de "eerste" graad.
Daarom zullen twee verschillende rechten steeds "1 . 1" = 1 snijpunt
hebben. Dat snijpunt kunnen we zien of niet zien; in het laatste geval
lopen de rechten evenwijdig en is het snijpunt 'oneigenlijk' (op oneindig).
Als de twee evenwijdige rechten maar één snijpunt op oneindig hebben,
langs welke kant moeten we dan de rechten doorlopen om het te vinden?
We kunnen de rechten toch in twee richtingen doorlopen.
Haha, je hebt gelijk, maar elke rechte heeft maar één punt op oneindig.
Of je nu links of rechts doorloopt op de rechte, op oneindig kom je in
hetzelfde punt terecht (stel je misschien een rechte voor als een cirkel
met een oneindig grote straal).
Een rechte is van de 'eerste' graad; een cirkel is van de 'tweede' graad.
Daarom stellen we dat een rechte en een cirkel steeds "1 . 2" = 2 punten
gemeen hebben.
We kunnen een rechte tekenen die een cirkel snijdt in twee punten.
We spreken dan van 'twee verschillende reële snijpunten'.
We kunnen een rechte tekenen die een cirkel mooi raakt.
We spreken dan van 'twee samenvallende reële snijpunten'.
We kunnen een rechte tekenen volledig buiten de cirkel gelegen.
We spreken dan van 'twee verschillende imaginaire snijpunten'.
(mooi toch, "2" omdat er twee moeten zijn, we zien ze niet, dus imaginair)
We hebben dus
'eigenlijke' en 'oneigenlijke' (= op oneindig) punten,
'verschillende' en 'samenvallende' punten,
'reële' en 'imaginaire' punten.
Nog even ...
een cirkel is van de tweede graad, evenals een parabool.
Daarom zullen een cirkel en een parabool steeds "2 . 2" = 4 punten
gemeenschappelijk hebben.
Tot slot ...
ALLE PUNTEN OP ONEINDIG LIGGEN OP 1 RECHTE: 'DE' ONEIGENLIJKE
RECHTE.
Vermits een cirkel van de tweede graad is zal hij dus altijd TWEE punten
op oneindig hebben, want ...
"2" (van zijn graad) . "1" (van graad oneigenlijke rechte) = 2
Wat voor punten zijn dat dan?
Wel, dat zijn 'twee verschillende imaginaire oneigenlijke' punten.
Nog precieser ...
het zijn 'twee toegevoegd imaginaire oneigenlijke' punten.
(herinner ... toegevoegd complexe getallen).
Sorry, ik liet me even gaan - had wat rustige tijd.
Het kan nog veel mooier.
Zo zijn er problemen die moeilijk te bewijzen zijn.
We brengen dan alles via andere coördinatenstelsels over naar ...
we lossen daar eenvoudig op (niemand ziet er ons ...) -
en brengen daarna alles doodeenvoudig terug.
tot morgen,
denook