Heb me altijd afgevraagd van waar het woord "Jas" komt.
Niet het kledingstuk maar wel de franstalige benaming voor belgische soldaten in WOI.
We kennen "nos poilus", "onze piotten" etc. ... maar wat is de origine van "nos jas"?
Iemand?
Met permissie pastoor ... dit geeft geen uitleg over de "nos jas"-uitdrukking betreffende de Belgische veteranen van WOI. Of de uitdrukking iets te maken heeft met een "jas" is me totaal onbekend maar heb hierover toch ernstige twijfels. Er moet iets anders zijn ... maar wat?
U zal begrepen hebben dat de verdommesse publiciteit in de rechtermarge weer maar eens belet een fatsoenlijk bericht neer te poten. Een "bug" in de seniorennet affaire? Ik denk het wel!
Paca schreef:U zal begrepen hebben dat de verdommesse publiciteit in de rechtermarge weer maar eens belet een fatsoenlijk bericht neer te poten. Een "bug" in de seniorennet affaire? Ik denk het wel!
Geen "bug" maar een zeer lange link (in bericht van pastoor) was de oorzaak van dit euvel.
Dank u Mira, het euvel heeft me meer als eens gestoord, maar vermoedelijk ben ik niet de enige.
Inderdaad MichelN, het woord "poilu(s)" heeft geen geheimen voor mij maar "un jas" of "nos jas" blijft nog altijd een raadsel ... er moet een origine zijn maar, tot nu toe, kan geen kat me helpen. Diegenen die het waarschijnlijk konden en die ik zeer goed gekend heb zijn overleden sinds de zestiger jaren, niet alleen mijn eigen vader maar o.a. een auteur die wel enkele boeken gepleegd heeft over zijn (en mijn vaders )avonturen in WOI en de uitdrukking gebruikte. We vragen het altijd te laat verdorie.
Ik weet zelfs niet of het origineel een nederlandstalige of franstalige zegswijze was. De teksten zijn wel franstalig.
Sorry om wat door te draven en "op een keitje te boren" ... het is de aard van het beestje
JAS= "Dictionnaire des Belgicisme bl.352"
synoniem van het frans ;troufion-bidasse-pioupiou.
JAS werd gebruikt(hoofdzakelijk)in Brussel en Vlaanderen(1919)
Jean Rebuffat in dagblad " Le Soir " van 13061994 bl.18
heb het na twee uur zoeken dan toch gevonden.
Groetjes
destijds de rozenkrans.Laat ons bidden,zei de pastoor,en ik sliep meteen in.
Verstokte Vlaming in Wall schreef:JAS= "Dictionnaire des Belgicisme bl.352"
synoniem van het frans ;troufion-bidasse-pioupiou.
JAS werd gebruikt(hoofdzakelijk)in Brussel en Vlaanderen(1919)
Jean Rebuffat in dagblad " Le Soir " van 13061994 bl.18
heb het na twee uur zoeken dan toch gevonden.
Groetjes
Goed gezocht, maarreuh het zegt niets over de etymologie van het woord "jas".
Een wilde gok: schachten, bleus of hoe je een pas opgeroepene ook wil noemen, kregen bij het binnenkomen zo'n loodzwaar, vormeloos kledingsstuk aangereikt bekend als "kapootjas" of "kapotjas" en ook wel "capote jas", misschien was dat wel de benaming om vers kanonnenvlees aan te duiden.
Dat stuk uitrusting was in het Belgisch leger tot in 1917 uitgevoerd in donkerblauwe stof.
Jasse : Pendant la Grande Guerre, plusieurs dénominations désignant le soldat belge, telles “jass” (ou “jasse”, “jas”), “piotte”, “piou-piou” ou “poilu” sont indifféremment utilisées par les anciens combattants belges dans leurs carnets de guerre. Durant l’entre-deux-guerres, l’appellation “jass” va s’imposer. Ce terme est issu du mot flamand “jass” signifiant “manteau”. Citation extraite de « Au Poilu et au Jass inconnus… Mémoires de 14-18 dans l'entre-deux-guerres », dans Cahiers électroniques de l'imaginaire, n° 2, 2033-2004, éd. e-Montaigne, p. 167 en ligne sur
Allez, dan schijnt het probleem opgelost te zijn. Waarvoor mijn dank aan de zoekers.
Persoonlijk heb ik het woord nooit horen gebruiken in militaire middens (°1945) en komende uit een militaire familie. Enkel in literatuur.
Zo'n kapotjas hadden we in 1965 nog, enkel een paar keer aan gehad op wacht ... werd zeer zwaar in de regen maar hield je wel warm, zelfs nat.
Het kan ook zijn dat het ontleend is aan het frans en dan gaat het over capot. Hier bedoelen ze dan vernietigd worden of gewoon niks waard zijn.
Ook is er een kaartterm waar ze capot gebruiken, dan bedoelen ze kapot gespeeld.
Gaat het over faire capot, bedoelen ze kapseizen en zit men in de scheepvaart.
In het duits is het capot (nu kaputt) machen, stuk doen.
Indien faire capot inderdaad kapseizen is en kapot gespeeld er achteraf gekomen is, kan men het verband leggen naar het kledingstuk kapotjas.
Dan krijgen we een kapot gespeelde speler die een kap over zijn hoofd trekt uit schaamte. Maar dit zou dan weer niet zo echt klinken.
Ook bestaat er iets in het frans als capot met als betekenis luikdeksel, chappot als oude spellingswijze.
Capoter is dan weer een bijbehorend werkwoord dat omverwerpen betekent, of op zijn kop zetten.
Dan is capot een afleiding van cap, hoofd. caput in het latijn.
Cabon is dan weer gewoon een jas zonder mouwen maar met links en rechts een opening waar door men de armen kan steken, die men over het hoofd gooit.