OUDERDOMSVERSCHIJSELEN
-------------------------------------
In mei leggen alle vogels een ei, zo luidt het gezegde. Of we nu uit een ei komen, uit een bloemkool of uit de korf van de ooievaar, het zal ons worst wezen ; we zijn er maar… we blijven er niet. Als kind hangen we aan moeders rok, als adolescent gaan we de wereld veranderen, als volwassene stellen we vast dat we die wereld toch niet hebben kunnen veranderen en als oudere kijken we met een meewarige blik achterom. Nu ja, ouder worden is iets lichamelijks ; een pijnscheutje hier, een artroosje daar of een kwaaltje ginder. Maar de hersenen blijven meestal gespaard van die dingetjes en daarom voelen we ons nog niet zo oud als we wel, volgens de kalender, zijn. Doch gelukkig zijn daar anderen om op onze toestand te wijzen. Oh ja, zij doen dat met de beste bedoelingen hoor, met nobele intenties, maar toch… het is niet altijd plezant om erop gewezen te worden.
Het begint al wanneer vriendelijke mensen hun zitplaatsje in de bus of de tram bereidwillig aan u afstaan. Dit is een mooi gebaar, zeer zeker, maar toch een beetje pijnlijk. Dan ben je geneigd te denken dat het zo ver is : ik behoor tot die categorie waarvoor enig mededogen gepast is. Men denkt dan : “Dit is een vorm van wellevendheid, een nog zeldzame deugd, we zullen de ongepastheid ervan maar door de vingers zien”. En we aanvaarden de zitplaats want we willen die zeldzame deugd niet teniet doen. Maar het blijft een beetje onbehaaglijk…
Het wordt pijnlijker wanneer men je ongevraagd korting begint te geven. Het overkwam mij in Duitsland bij de ruïne van de Nurburg. Je moest daar entreegeld betalen : €4. Ik haalde gepast geld boven, gaf het aan de kassier en die bekeek me even waarna hij me €1 teruggaf met de vermelding dat 60-plussers slechts €3 moesten betalen. Ik was toen 60 jaar en drie maanden ! En ik had geen identiteitsbewijs moeten tonen ! Hoe die kerel dat inschatte weet ik niet, Deutsche Grundlichkeit wellicht. Een ogenblik kreeg ik de opwelling om hem die ene euro naar zijn hoofd te gooien maar ik bedwong me nog net op tijd ; men moet geen miserie gaan zoeken en zeker niet als je in het buitenland bent.
Het meest frappante en tevens meest pijnlijke voorval overkwam me een paar weken geleden toen ik een oude ex-buurvrouw wou bezoeken in een woon- en zorgcentrum hier in de buurt. Ze woont op de derde verdieping en toen ik de lift uitstapte werd ik begroet door een vriendelijke dame van het personeel met de woorden :
“Ha, hebt ge een wandelingetje gemaakt mijnheer ?”
“Euh… Een wandelingetje ?”
“Ja, ’t zonnetje schijnt wel maar het blijft toch nog altijd frisjes hé. Ik zou die sjaal toch maar wat vaster aanknopen hoor. Zal ik u nu naar uw kamer brengen ?”
“Excuseer mevrouw maar ik kwam hier slechts op bezoek bij iemand…”
“Oh pardon. Bent u niet die nieuwe meneer van kamer 305 die hier gisteren aangekomen is ?”
Kijk, dit zijn zo van die zaken die iemand de adem afsnijden. Ooit heeft men ten onrechte, althans volgens mijn persoonlijke inschatting, getracht om me in een psychiatrische instelling vast te houden, iets waarover ik het in een van de vorige afleveringen al had, en nu wou men me hier ook al interneren. Met de beste bedoelingen natuurlijk, maar toch… Goed, ik geef grif toe dat ik er niet meer uitzie als een jonge Marlon Brando of een dito Paul Newman maar dat men mij zou verwarren met een oud-testamentische Methusalem of een overjaarse Jack Palance had ik nu ook niet meteen verwacht.
Waar zal dat eindigen als ik ooit eens écht oud word ? Misschien dat Pascal Vyncke of de lieve dames hier op Seniorennet me nog slechts berichtjes sturen in grote lettertjes of hard in mijn oor schreeuwen als ze me iets willen zeggen ? Tja, het zal allemaal goed bedoeld zijn...
-------------------------------------
In mei leggen alle vogels een ei, zo luidt het gezegde. Of we nu uit een ei komen, uit een bloemkool of uit de korf van de ooievaar, het zal ons worst wezen ; we zijn er maar… we blijven er niet. Als kind hangen we aan moeders rok, als adolescent gaan we de wereld veranderen, als volwassene stellen we vast dat we die wereld toch niet hebben kunnen veranderen en als oudere kijken we met een meewarige blik achterom. Nu ja, ouder worden is iets lichamelijks ; een pijnscheutje hier, een artroosje daar of een kwaaltje ginder. Maar de hersenen blijven meestal gespaard van die dingetjes en daarom voelen we ons nog niet zo oud als we wel, volgens de kalender, zijn. Doch gelukkig zijn daar anderen om op onze toestand te wijzen. Oh ja, zij doen dat met de beste bedoelingen hoor, met nobele intenties, maar toch… het is niet altijd plezant om erop gewezen te worden.
Het begint al wanneer vriendelijke mensen hun zitplaatsje in de bus of de tram bereidwillig aan u afstaan. Dit is een mooi gebaar, zeer zeker, maar toch een beetje pijnlijk. Dan ben je geneigd te denken dat het zo ver is : ik behoor tot die categorie waarvoor enig mededogen gepast is. Men denkt dan : “Dit is een vorm van wellevendheid, een nog zeldzame deugd, we zullen de ongepastheid ervan maar door de vingers zien”. En we aanvaarden de zitplaats want we willen die zeldzame deugd niet teniet doen. Maar het blijft een beetje onbehaaglijk…
Het wordt pijnlijker wanneer men je ongevraagd korting begint te geven. Het overkwam mij in Duitsland bij de ruïne van de Nurburg. Je moest daar entreegeld betalen : €4. Ik haalde gepast geld boven, gaf het aan de kassier en die bekeek me even waarna hij me €1 teruggaf met de vermelding dat 60-plussers slechts €3 moesten betalen. Ik was toen 60 jaar en drie maanden ! En ik had geen identiteitsbewijs moeten tonen ! Hoe die kerel dat inschatte weet ik niet, Deutsche Grundlichkeit wellicht. Een ogenblik kreeg ik de opwelling om hem die ene euro naar zijn hoofd te gooien maar ik bedwong me nog net op tijd ; men moet geen miserie gaan zoeken en zeker niet als je in het buitenland bent.
Het meest frappante en tevens meest pijnlijke voorval overkwam me een paar weken geleden toen ik een oude ex-buurvrouw wou bezoeken in een woon- en zorgcentrum hier in de buurt. Ze woont op de derde verdieping en toen ik de lift uitstapte werd ik begroet door een vriendelijke dame van het personeel met de woorden :
“Ha, hebt ge een wandelingetje gemaakt mijnheer ?”
“Euh… Een wandelingetje ?”
“Ja, ’t zonnetje schijnt wel maar het blijft toch nog altijd frisjes hé. Ik zou die sjaal toch maar wat vaster aanknopen hoor. Zal ik u nu naar uw kamer brengen ?”
“Excuseer mevrouw maar ik kwam hier slechts op bezoek bij iemand…”
“Oh pardon. Bent u niet die nieuwe meneer van kamer 305 die hier gisteren aangekomen is ?”
Kijk, dit zijn zo van die zaken die iemand de adem afsnijden. Ooit heeft men ten onrechte, althans volgens mijn persoonlijke inschatting, getracht om me in een psychiatrische instelling vast te houden, iets waarover ik het in een van de vorige afleveringen al had, en nu wou men me hier ook al interneren. Met de beste bedoelingen natuurlijk, maar toch… Goed, ik geef grif toe dat ik er niet meer uitzie als een jonge Marlon Brando of een dito Paul Newman maar dat men mij zou verwarren met een oud-testamentische Methusalem of een overjaarse Jack Palance had ik nu ook niet meteen verwacht.
Waar zal dat eindigen als ik ooit eens écht oud word ? Misschien dat Pascal Vyncke of de lieve dames hier op Seniorennet me nog slechts berichtjes sturen in grote lettertjes of hard in mijn oor schreeuwen als ze me iets willen zeggen ? Tja, het zal allemaal goed bedoeld zijn...
