In een Limburgs dorp ergens achter de kerk ligt een kerkhof. Sinds mensenheugenis werden op deze bijzondere plek in de dorpskern mensen begraven. Stille herinneringen komen weer boven op deze akker die ligt in de zoelte van de kerktoren. Ze noemen het niet voor niets de stille plek van het dorp want de adem van het verleden is er voelbaar. Af en toe wordt de stilte onderbroken door de zucht van de wind die over de grafmonumenten waait. Als één grote familie liggen bekende en onbekende mensen begraven met strakke grafzuilen boven een verwerend beton al dan niet met natuursteen. Hier en daar zie je een bloem die een kruis versierd, een Christusdoorn of een monogram, enkele en dubbele grafzerken met liefdevolle woorden zoals: wij gedenken, of een dankbare herinnering. Je leest de naam en de geboortedatum van de afgestorvenen, soms ook een gebed dat de doden levend houdt onder ons. Niet alleen is het de laatste rustplaats en een ingetogen plek maar ook ontmoet je er mensen die even het graf komen verzorgen of groeten. Het lijkt er soms drukker dan in de supermarkt. Bijna alle mensen hebben een kleinood bij al is het maar een kaars of een plantje, een tuiltje bloemen, een gebed. Enkelen kunnen hun emotie niet meer de baas en ziet men in stilte huilen en vragen zich nog altijd af: waarom jij? Praten met je overledenen, het kan allemaal en wellicht helpt het ook veel mensen door deze nare tijden weer te komen als het dichter op Allerheiligen aangaat. Welke taal je ook spreekt, het is de taal van het verleden die voelbaar is en toch weeral uitdooft in de verte. Je spreekt hier de taal van de leegte, de troost, de herinnering, de voorbije jaren. Dichtbij in gedachten hoor je de stem van je familielid, een zachte stem van je opa of oma, een kind, een moeder, je houdt ze vast en wil ze niet loslaten. Doodstil wordt het om je heen, je beseft dat je alleen staat en je moeders stem hoort in je hart. Hier heerst de eeuwigheid, je put moed uit een bron van mystiek. In deze rustieke omgeving verbleken menselijke maten en voelt de mens zich heel nietig in het licht van het verleden naar de toekomst. Of je het nu wil of niet maar hier is iedereen die onder de zoden ligt verdraagzaam ten opzichte van zijn buur. Kerkhoven geven allen hun geheimen prijs aan degenen die men kent van vroeger, aan de nog levenden. Sommigen herinner ik me van kindsbeen al maar anderen heb ik weten leven als ik reeds volwassen was. Bijna heel het dorp ligt aan mijn voeten en bij ieder graf kan ik wel een verhaal vertellen. Ook verbaas ik me dat sommige graven ineens niet meer vindbaar zijn. De eeuwige rust lijkt hier niet zo eeuwig, ze zijn opgeruimd, zoals het vuil weggedaan. Waar naar toe?
Ik las tussen de gouden zonnestralen die op de grafmonumenten weerkaatsten, namen. Sofietje mocht hier maar kort verblijven, ze had nu zilveren vleugeltjes gekregen, gelijk een engeltje. Nelis die altijd zijn hart op de juiste plaats droeg, kreeg tijdens een wandeling een hartstilstand. Anna had altijd graag tezamen willen vertoeven met Nelis, het zwartgallige mens ligt nu vlak naast hem begraven. Daar zie ik Gerard liggen, iemand die niet kon sterven volgens hem maar toch hier zijn eeuwige dagen doorbrengt. Een oude zure tante Trees die liever bij de bakker in en uit ging dan bij haar familie, de vrolijke Frans die op zijn sterfbed zei dat Jezeke hem vergeten was. Een oude schooldirecteur die piano speelde tijdens de speeltijd en onder de lessen zijn karwats hanteerde. Johannes met een lijkbleek gezicht op zijn bruine fiets maar die straalde op zijn sterfbed. Willem en Harry, twee broers die vroeger tezamen in één bed sliepen, te gierig om twee bedden te kopen, hier slapen ze broederlijk boven elkander. Oei, tante nonneke die de kruisbeelden van de muur bad, zit in een urne verder te bidden, van devoot gesproken. Plots begonnen de kerkklokken te luiden, de doodgraver kwam met zijn spade tussen de rijen door, schoof wat kransen opzij en markeerde een plek. ‘Hier zou iemand morgen komen te liggen,’ zei hij. Klompenmaker of bankdirecteur, pastoor of dokter, kunstenaar of arbeider, rijk of arm, ze liggen als in een schilderij kleurrijk langs elkaar, ieder krijgt zijn deel of je het nu wil of niet.
Dat zij rusten in vrede en plots ging de zon zich achter een wolk verschuilen.
Ik las tussen de gouden zonnestralen die op de grafmonumenten weerkaatsten, namen. Sofietje mocht hier maar kort verblijven, ze had nu zilveren vleugeltjes gekregen, gelijk een engeltje. Nelis die altijd zijn hart op de juiste plaats droeg, kreeg tijdens een wandeling een hartstilstand. Anna had altijd graag tezamen willen vertoeven met Nelis, het zwartgallige mens ligt nu vlak naast hem begraven. Daar zie ik Gerard liggen, iemand die niet kon sterven volgens hem maar toch hier zijn eeuwige dagen doorbrengt. Een oude zure tante Trees die liever bij de bakker in en uit ging dan bij haar familie, de vrolijke Frans die op zijn sterfbed zei dat Jezeke hem vergeten was. Een oude schooldirecteur die piano speelde tijdens de speeltijd en onder de lessen zijn karwats hanteerde. Johannes met een lijkbleek gezicht op zijn bruine fiets maar die straalde op zijn sterfbed. Willem en Harry, twee broers die vroeger tezamen in één bed sliepen, te gierig om twee bedden te kopen, hier slapen ze broederlijk boven elkander. Oei, tante nonneke die de kruisbeelden van de muur bad, zit in een urne verder te bidden, van devoot gesproken. Plots begonnen de kerkklokken te luiden, de doodgraver kwam met zijn spade tussen de rijen door, schoof wat kransen opzij en markeerde een plek. ‘Hier zou iemand morgen komen te liggen,’ zei hij. Klompenmaker of bankdirecteur, pastoor of dokter, kunstenaar of arbeider, rijk of arm, ze liggen als in een schilderij kleurrijk langs elkaar, ieder krijgt zijn deel of je het nu wil of niet.
Dat zij rusten in vrede en plots ging de zon zich achter een wolk verschuilen.
niks is eeuwig!