Ach nu vergeet ik nog dat ik ook weer een verhaaltje klaar heb.
Diep in mij schuilt nog altijd een ‘klein kind’ , een KINNEKE zoals mijn vader dat in ons dialect noemde. Hij vond me een dromer en zei het dan ook te pas en te onpas tegen iedereen.
Toen mijn broer Mil hier eergisteren was en ik liet hem het volgende verhaaltje lezen zei hij smalend: ‘Ja en ge zijt toch nog altijd een kinneke gebleven ook hé?’
Hier komt het.
1950 - Het Vliegmachien !
-
Al vóór je veertiende van de schoolbanken geplukt worden om te gaan werken in het atelier bij je vader is geen pretje.
Na het achtste studiejaar mag je officieel van school blijven en de laatste grote vakantie kan je maar gerust op je buik schrijven. Pa heeft je nodig.
Plots moet je ‘ groot ’ zijn. Je krijgt een lange broek en blauwe werkkleren die maken dat iedereen duidelijk ziet dat je nu een man bent.
’s Avonds na de dagtaak mag je niet meer gaan spelen met de kinderen op straat of je wordt vierkant uitgelachen.
Alleen al zéggen dat je nog graag speelt is een doodzonde, ook al ben je in wezen nog een kind.
In tegenstelling tot mijn broer heb ik een nogal levende fantasie en wordt daarom vaak bestempeld als een dromer.
Als ik werk moet doen waarbij mijn volle aandacht niet vereist is gaan mijn gedachten naar de andere jongens van mijn leeftijd en vraag ik me af waar ze op dit ogenblik mee bezig zijn.
Wanneer mijn vader mij tijdens mijn mijmeringen betrapt zegt hij steeds: ‘ Droom zo niet en werk voort kinneke. ’ Dat woord: Kinneke is dan ook zijn favoriete scheldwoord geworden.
Pa kan maar niet verstaan dat mijn gedachten niet gedurig bij het werk zijn en dat ik vaak nog eens terugdenk aan de school en de tijd dat we nog met de kameraden gingen ravotten in het bos en langs de velden.
De tijd toen we nog konden gaan zwemmen in de kweekvijver of in de afgedamde beek bij het kerkhof.
De tijd als we nog op donderdagnamiddag ten strijde trokken met houten zwaard en katapult tegen de ‘ bende van de Beek ’. Allemaal vrij onschuldig want die ‘ strijd ’ was meestal een schijngevecht waarin we probeerden mekaar van een denkbeeldig paard te sabelen.
De tijd dat wij de cowboys waren en de ‘ Bekers ’ de indianen. De Bekers hadden pijl en boog en wij maakten uit houten plankjes revolvers en geweren die echt konden schieten met elastiekjes van confituurpotten of steriliseer bokalen.
Het lijkt nu plots allemaal zo ver weg.
Ik zie nog voor me hoe we op school deze krijgshaftige ontmoetingen bespraken en voorbereidden.
We fantaseerden er op los en de twee kampen probeerden mekaar te overbluffen met ingebeelde superwapens die we bij een volgende veldslag zouden gebruiken.
We maakten plannen om kannonen te bouwen en zelfs een vliegmachine waarmee we volgende donderdag de vijand van uit de lucht zouden bestoken.
De grootse plannen werden echter nooit uitgevoerd bij gebrek aan geschikt materiaal en het vakmanschap om het te realiseren.
Toch bleef het vliegmachineproject steeds door mijn gedachten spoken en tijdens mijn dagdromen brak ik vaak mijn hersens op alle mogelijke manieren om zo een ding echt te kunnen laten vliegen.
Op zekere dag kwam ik op een idee.
Met het spaargeld dat onze ouders al enkele jaren in eigen zaak hadden verdiend kochten ze het huisje van René van Fritz dat we tot nu toe hadden gehuurd.
Mijn vader die nogal handig was wilde de lelijke houten balken van het plafond nu eindelijk eens bedekken met dunne kartonnen ‘ Unalit ’ platen zodat het geheel er wat chiquer zou uitzien.
Blijkbaar had hij zich een beetje misrekend en bleef er nog wat overschot aan panlatten en platen.
Bij het zien van dit ‘ lichte ’ materiaal schoot mijn fantasie weer in gang en besloot ik toch één van mijn stoutste jongensdromen te verwezenlijken.
Door mijn atelierervaring kon ik nu al vrij aardig omspringen met hamer, zaag, trektang en ijzerdraad.
Op zolder vond ik een oude kinderkoets die als onderstel voor mijn vliegtuig zou dienen.
Vele zondagen verdween ik in het ‘ kot ’ achter ons huis waar ik zaagde en timmerde aan mijn ‘ uitvinding ’.
Hoe verder mijn werk vorderde des te meer raakte ik ervan overtuigd dat vliegen toch echt niet zo moeilijk kon zijn...
Een motor, dat was veel te zwaar en eigenlijk ook niet eens nodig want je hoefde maar naar de vogels te kijken hoe die met hun vleugels klapten en blijkbaar moeiteloos de lucht in stegen.
De Unaliten vleugels van mijn toestel waren bovenaan op de kinderkoets vastgemaakt met scharnieren en onderaan met dikke veren uit de matras van een oud strobed.
Als ik in de koets zat kon ik met twee waskoorden de vleugels omhoog trekken en door de veren kwamen ze weer in hun ruststand.
Door vlug en krachtig trekken zou ik heel veel lucht verplaatsen en opstijgen.
In theorie klopte alles!
De eerste ‘ proefvlucht ’ was niet erg succesvol want al trok ik met volle kracht aan de koorden; het toestel kwam geen centimeter van de grond.
Mil, mijn dertien maanden jongere broer lachte zich bijna en kriek toen hij me bezig zag.
Toch gaf ik de moed niet op. Ik was er heilig van overtuigd dat het wel zou lukken als ik wat snelheid kon halen door in volle vaart van een helling naar beneden te rijden.
Het idee kwam niet zomaar want ik herinnerde mij dat we kort na de oorlog een parachute gemaakt hadden van een grote Engelse vlag die we van één van de soldaten, waarvoor ons moeder altijd de was deed, gekregen hadden.
Aan elk van de vier hoeken van de vlag maakten we een touw vast en de uiteinden bonden we aan onze broeksriem zodat alles stevig rond ons midden zat.
Daarna sprongen we van de hoge zavelput aan de Lange Eik, ruim zes meter diep naar beneden en kwamen met een zachte plof in een dikke hoop malse zavel terecht. Wij hadden het gevoel van tijdens de val enigszins te blijven zweven door de luchtdruk onder de vlag.
Dit moest met mijn vliegtuig ook lukken. Tijdens mijn dagdromen maakte ik plannen om het uit te proberen.
Als ik in de kist van mijn vliegtuigje zit zal Mil mij een ferme duw geven zodat ik goed gelanceerd over de rand van de zavelput kan geraken en dan moet ik nog enkel hard aan de vleugels trekken, die door trekkracht van de veren terug naar beneden schieten en ik dan weer trekken, en lossen en trekken, op en af, en op en af, klep, klap, klepper , klapper... en vliegen als een vogel!
Doodsimpel !
Het gaf mij een heerlijk gevoel.
‘De Gène’ (Eugène) onze buurjongen en vroegere schoolkameraad kwam eens kijken hoe ver het met mijn werkzaamheden stond.
‘Zijt ge zeker dat hij zal vliegen?’ vroeg hij bedenkelijk.
‘Daar twijfel ik niet aan man. Volgende zondag gaan we hem uittesten aan de zavelput.’
De Gène was nu ook enthousiast. ‘ Vanuit de lucht gaan we dan de Bekers bestoken met aarden kluiten en emmers water en nog veel meer...misschien kunnen we vanuit de lucht zelfs op hunne kop k...en? Ha, ha, mannen dan gaan we lachen.’
De rest van de week zat ik te mijmeren over de mogelijkheden die we nu zouden hebben.
Als ik donderdagavond van het werk thuis kwam ging ik weer dadelijk achter ons huis om in het kot naar mijn machine te kijken. Eerst zag ik ze niet goed staan maar als mijn ogen wat meer gewend waren aan het duister kreeg ik een grote schok.
Helemaal in een hoek geduwd stond mijn creatie met slechts één vleugel, de andere was in twee gebroken en lag midden op de grond. Ook de kist was niet meer gaaf want er ontbrak een voorwiel en de as was verwrongen.
De krop in mijn keel belette mij om enig geluid uit te brengen. Ik snakte naar adem en zag hoe mijn droom hier voor mijn voeten aan diggelen lag.
Na enkele seconden maakte mijn teleurstelling plaats voor woede.
Wie anders dan mijn broer kon hiervoor verantwoordelijk zijn ?
‘ Mil! Waar zijt ge? ’ Schreeuwde ik en stoof razend de keuken binnen.
Instinctief wist ik dat Mil er voor iets tussen zat en vloog op hem af.
‘ Wat heb jij met mijn vliegtuig gedaan? ’ Brulde ik.
Hij dook langs de voordeur naar buiten en zocht dadelijk dekking achter de rug van mijn moeder die met mij van de tram naar huis was gestapt maar mijn vlugge tred niet had kunnen volgen.
‘ Wel wat is dat hier allemaal.’ Zei ze en hield mij tegen.
‘ Hij heeft mijn vliegmachien kapot gemaakt.’ Jankte ik vol spijt.
‘ Het is de schuld van De Gène, ’ riep Mil, nog steeds bescherming zoekend, ‘ hij kon niet wachten tot zondag en wij hebben deze namiddag je vlieger eens op straat uitgetest en toen we van de stoep reden viel het voorwiel er af en dan kantelde de kist en de vleugel brak in twee!’
‘ Och laat dat kinderachtig gedoe toch Roger.’ Suste ons ma. ‘ Ge zijt nu al veertien jaar en nog altijd zit ge met dat spelen in uwe kop.’
‘ Ge weet toch wat uw pa weer zal zeggen als hij hier van hoort?’
‘ Ja, ik weet het.’ : ‘ Kinneke, groot kinneke ! ’
Ik was diep, diep ontgoocheld en veel te moe om nog langer achter mijn broer aan te zitten.
Een verdere poging om vanaf de zavelput op te stijgen is er nooit meer gekomen.
Veel later pas besefte ik dat Mil en de Gène, door hun roekeloze nieuwsgierigheid, mij misschien het leven hebben gered.
---------------------------------------
Diep in mij schuilt nog altijd een ‘klein kind’ , een KINNEKE zoals mijn vader dat in ons dialect noemde. Hij vond me een dromer en zei het dan ook te pas en te onpas tegen iedereen.
Toen mijn broer Mil hier eergisteren was en ik liet hem het volgende verhaaltje lezen zei hij smalend: ‘Ja en ge zijt toch nog altijd een kinneke gebleven ook hé?’
Hier komt het.
1950 - Het Vliegmachien !
-
Al vóór je veertiende van de schoolbanken geplukt worden om te gaan werken in het atelier bij je vader is geen pretje.
Na het achtste studiejaar mag je officieel van school blijven en de laatste grote vakantie kan je maar gerust op je buik schrijven. Pa heeft je nodig.
Plots moet je ‘ groot ’ zijn. Je krijgt een lange broek en blauwe werkkleren die maken dat iedereen duidelijk ziet dat je nu een man bent.
’s Avonds na de dagtaak mag je niet meer gaan spelen met de kinderen op straat of je wordt vierkant uitgelachen.
Alleen al zéggen dat je nog graag speelt is een doodzonde, ook al ben je in wezen nog een kind.
In tegenstelling tot mijn broer heb ik een nogal levende fantasie en wordt daarom vaak bestempeld als een dromer.
Als ik werk moet doen waarbij mijn volle aandacht niet vereist is gaan mijn gedachten naar de andere jongens van mijn leeftijd en vraag ik me af waar ze op dit ogenblik mee bezig zijn.
Wanneer mijn vader mij tijdens mijn mijmeringen betrapt zegt hij steeds: ‘ Droom zo niet en werk voort kinneke. ’ Dat woord: Kinneke is dan ook zijn favoriete scheldwoord geworden.
Pa kan maar niet verstaan dat mijn gedachten niet gedurig bij het werk zijn en dat ik vaak nog eens terugdenk aan de school en de tijd dat we nog met de kameraden gingen ravotten in het bos en langs de velden.
De tijd toen we nog konden gaan zwemmen in de kweekvijver of in de afgedamde beek bij het kerkhof.
De tijd als we nog op donderdagnamiddag ten strijde trokken met houten zwaard en katapult tegen de ‘ bende van de Beek ’. Allemaal vrij onschuldig want die ‘ strijd ’ was meestal een schijngevecht waarin we probeerden mekaar van een denkbeeldig paard te sabelen.
De tijd dat wij de cowboys waren en de ‘ Bekers ’ de indianen. De Bekers hadden pijl en boog en wij maakten uit houten plankjes revolvers en geweren die echt konden schieten met elastiekjes van confituurpotten of steriliseer bokalen.
Het lijkt nu plots allemaal zo ver weg.
Ik zie nog voor me hoe we op school deze krijgshaftige ontmoetingen bespraken en voorbereidden.
We fantaseerden er op los en de twee kampen probeerden mekaar te overbluffen met ingebeelde superwapens die we bij een volgende veldslag zouden gebruiken.
We maakten plannen om kannonen te bouwen en zelfs een vliegmachine waarmee we volgende donderdag de vijand van uit de lucht zouden bestoken.
De grootse plannen werden echter nooit uitgevoerd bij gebrek aan geschikt materiaal en het vakmanschap om het te realiseren.
Toch bleef het vliegmachineproject steeds door mijn gedachten spoken en tijdens mijn dagdromen brak ik vaak mijn hersens op alle mogelijke manieren om zo een ding echt te kunnen laten vliegen.
Op zekere dag kwam ik op een idee.
Met het spaargeld dat onze ouders al enkele jaren in eigen zaak hadden verdiend kochten ze het huisje van René van Fritz dat we tot nu toe hadden gehuurd.
Mijn vader die nogal handig was wilde de lelijke houten balken van het plafond nu eindelijk eens bedekken met dunne kartonnen ‘ Unalit ’ platen zodat het geheel er wat chiquer zou uitzien.
Blijkbaar had hij zich een beetje misrekend en bleef er nog wat overschot aan panlatten en platen.
Bij het zien van dit ‘ lichte ’ materiaal schoot mijn fantasie weer in gang en besloot ik toch één van mijn stoutste jongensdromen te verwezenlijken.
Door mijn atelierervaring kon ik nu al vrij aardig omspringen met hamer, zaag, trektang en ijzerdraad.
Op zolder vond ik een oude kinderkoets die als onderstel voor mijn vliegtuig zou dienen.
Vele zondagen verdween ik in het ‘ kot ’ achter ons huis waar ik zaagde en timmerde aan mijn ‘ uitvinding ’.
Hoe verder mijn werk vorderde des te meer raakte ik ervan overtuigd dat vliegen toch echt niet zo moeilijk kon zijn...
Een motor, dat was veel te zwaar en eigenlijk ook niet eens nodig want je hoefde maar naar de vogels te kijken hoe die met hun vleugels klapten en blijkbaar moeiteloos de lucht in stegen.
De Unaliten vleugels van mijn toestel waren bovenaan op de kinderkoets vastgemaakt met scharnieren en onderaan met dikke veren uit de matras van een oud strobed.
Als ik in de koets zat kon ik met twee waskoorden de vleugels omhoog trekken en door de veren kwamen ze weer in hun ruststand.
Door vlug en krachtig trekken zou ik heel veel lucht verplaatsen en opstijgen.
In theorie klopte alles!
De eerste ‘ proefvlucht ’ was niet erg succesvol want al trok ik met volle kracht aan de koorden; het toestel kwam geen centimeter van de grond.
Mil, mijn dertien maanden jongere broer lachte zich bijna en kriek toen hij me bezig zag.
Toch gaf ik de moed niet op. Ik was er heilig van overtuigd dat het wel zou lukken als ik wat snelheid kon halen door in volle vaart van een helling naar beneden te rijden.
Het idee kwam niet zomaar want ik herinnerde mij dat we kort na de oorlog een parachute gemaakt hadden van een grote Engelse vlag die we van één van de soldaten, waarvoor ons moeder altijd de was deed, gekregen hadden.
Aan elk van de vier hoeken van de vlag maakten we een touw vast en de uiteinden bonden we aan onze broeksriem zodat alles stevig rond ons midden zat.
Daarna sprongen we van de hoge zavelput aan de Lange Eik, ruim zes meter diep naar beneden en kwamen met een zachte plof in een dikke hoop malse zavel terecht. Wij hadden het gevoel van tijdens de val enigszins te blijven zweven door de luchtdruk onder de vlag.
Dit moest met mijn vliegtuig ook lukken. Tijdens mijn dagdromen maakte ik plannen om het uit te proberen.
Als ik in de kist van mijn vliegtuigje zit zal Mil mij een ferme duw geven zodat ik goed gelanceerd over de rand van de zavelput kan geraken en dan moet ik nog enkel hard aan de vleugels trekken, die door trekkracht van de veren terug naar beneden schieten en ik dan weer trekken, en lossen en trekken, op en af, en op en af, klep, klap, klepper , klapper... en vliegen als een vogel!
Doodsimpel !
Het gaf mij een heerlijk gevoel.
‘De Gène’ (Eugène) onze buurjongen en vroegere schoolkameraad kwam eens kijken hoe ver het met mijn werkzaamheden stond.
‘Zijt ge zeker dat hij zal vliegen?’ vroeg hij bedenkelijk.
‘Daar twijfel ik niet aan man. Volgende zondag gaan we hem uittesten aan de zavelput.’
De Gène was nu ook enthousiast. ‘ Vanuit de lucht gaan we dan de Bekers bestoken met aarden kluiten en emmers water en nog veel meer...misschien kunnen we vanuit de lucht zelfs op hunne kop k...en? Ha, ha, mannen dan gaan we lachen.’
De rest van de week zat ik te mijmeren over de mogelijkheden die we nu zouden hebben.
Als ik donderdagavond van het werk thuis kwam ging ik weer dadelijk achter ons huis om in het kot naar mijn machine te kijken. Eerst zag ik ze niet goed staan maar als mijn ogen wat meer gewend waren aan het duister kreeg ik een grote schok.
Helemaal in een hoek geduwd stond mijn creatie met slechts één vleugel, de andere was in twee gebroken en lag midden op de grond. Ook de kist was niet meer gaaf want er ontbrak een voorwiel en de as was verwrongen.
De krop in mijn keel belette mij om enig geluid uit te brengen. Ik snakte naar adem en zag hoe mijn droom hier voor mijn voeten aan diggelen lag.
Na enkele seconden maakte mijn teleurstelling plaats voor woede.
Wie anders dan mijn broer kon hiervoor verantwoordelijk zijn ?
‘ Mil! Waar zijt ge? ’ Schreeuwde ik en stoof razend de keuken binnen.
Instinctief wist ik dat Mil er voor iets tussen zat en vloog op hem af.
‘ Wat heb jij met mijn vliegtuig gedaan? ’ Brulde ik.
Hij dook langs de voordeur naar buiten en zocht dadelijk dekking achter de rug van mijn moeder die met mij van de tram naar huis was gestapt maar mijn vlugge tred niet had kunnen volgen.
‘ Wel wat is dat hier allemaal.’ Zei ze en hield mij tegen.
‘ Hij heeft mijn vliegmachien kapot gemaakt.’ Jankte ik vol spijt.
‘ Het is de schuld van De Gène, ’ riep Mil, nog steeds bescherming zoekend, ‘ hij kon niet wachten tot zondag en wij hebben deze namiddag je vlieger eens op straat uitgetest en toen we van de stoep reden viel het voorwiel er af en dan kantelde de kist en de vleugel brak in twee!’
‘ Och laat dat kinderachtig gedoe toch Roger.’ Suste ons ma. ‘ Ge zijt nu al veertien jaar en nog altijd zit ge met dat spelen in uwe kop.’
‘ Ge weet toch wat uw pa weer zal zeggen als hij hier van hoort?’
‘ Ja, ik weet het.’ : ‘ Kinneke, groot kinneke ! ’
Ik was diep, diep ontgoocheld en veel te moe om nog langer achter mijn broer aan te zitten.
Een verdere poging om vanaf de zavelput op te stijgen is er nooit meer gekomen.
Veel later pas besefte ik dat Mil en de Gène, door hun roekeloze nieuwsgierigheid, mij misschien het leven hebben gered.
---------------------------------------
