Nog eens op reis in Portugal:
Paaltjes.
Vandaag zagen we paaltjes voor honderd jaar ver. Ze maten 30 bij 30cm en waren een 60cm hoog, enkele jaren terug in het wit geschilderd maar nu al wat verweerd door strakke bergwinden.
Ze zoomden de wegen van de Siera de Alvao af, een woeste bergketen met dorre vegetatie en grillige rotsen. Je had hier beter je stuur goed vast, de wegen waren vaak maar 3 à 4 meter breed en slingerden zich soms scherp omhoog, dan weer onheilspellend omlaag. De neus van de auto wees soms danig de lucht in, dat we niet zeker waren of we wel nog zouden ‘landen’. We waagden ons ver van de beschaving, hier was echt geen teken van leven meer te bekennen.
De Portugezen zouden echte vleeseters zijn, maar we vragen ons af waar ze dat vlees dan wel vandaan halen. We zagen hier noch varken noch koe, noch geit noch schaap. We hoorden wel enkele belletjes in de verte die op een kudde zouden wijzen, maar we zagen geen levende ziel.
Zo desolaat en ruw als het gebergte hier was, zo fijn en pittoresk lagen de schaarse kleine dorpjes tegen de scherpe flanken aangeleund. Hoe hoger we kwamen, hoe schraler het groen en hier en daar zagen we sporen van vroegere brandhaarden. De vermoeide, grauwgranieten rotsformaties waren ooit als vloeibaar gesteente de speelbal geweest van oud aards geweld en leken nu tot rust te zijn gekomen. We kamen ook langs de ‘Figas de Ermelo’, die de hoogste watervallen van Portugal zouden zijn. Waarschijnlijk in het regenseizoen, dan….
Voor onze bergtocht hadden we Vila Real aangedaan, een lauw stadje met een naar adem happende kleinhandel. We zagen er fletse winkeltjes met droeve collecties uit vervlogen tijden.
Daarna was het ook naar Casa Mateus gegaan, de geboorteplaats van de wereldbekende Mateus-rosé. Deze wijn wordt hier al lang niet meer gemaakt, maar dit blijft wel gewijde grond: een sierlijke villa met bijhorende tuin, een beetje vergane glorie maar toch nog charmant. Het korstmos op de oude pinakels, de grote groeven in de kasseien en de scherpe geur van de allochtone cipressen wekten een zweem van melancholie.
Het verliep niet allemaal zo vlot als ik het hier schrijf.
Zo kwamen we onderweg door een klein bergdorpje. Je zag het al van ver: de asfaltweg ging over in een kasseiweg, die steeds maar versmalde en stilaan nog de breedte had van de boerenkarren uit de negentiende eeuw. Er was nog een fontein en een schandpaal, mestvaalten, een wasplaats en een oude kapel. Maar geen wegwijzers. Nodig voor een verre vreemdeling want in het dorpje ontsprongen nog enkele andere kasseiwegen.
Maar daar liep de redding, daar liep een boer. Een jonge, frisse bruingetaande boer nog wel. Dus ging onze ruit naar beneden en werd die Messias naar de juiste weg voor de cascadas gevraagd in onze beste interpretatie van hedendaags Portugees.
Hij antwoordde in wel héél plat Portugees. Waarschijnlijk een inheems dialect, maar we werden er niet veel wijzer van. Niet dat we van gewoon Portugees zoveel wegdragen, maar hier waren we niks mee. Gelukkig had hij nog een hoofdknik die ongeveer in de richting van één van de kasseistraatjes ging. We waagden het er op en hij zwaaide ons niet na.
Het kwam goed uit.
Zo zie je maar, met de juiste gebarentaal kom je al heel ver…

Zowaar een Agfa/Kodak winkel!

De woestenij van de Siera Alvao

Paaltjes!