Historiek
Rupelmonde ligt op de linker Schelde-oever, tegenover de monding van de Rupel, in het Land van Waas en in het natuurpark "Scheldeland".
Sinds 1 april 1977 maakt het deel uit van de gemeente Kruibeke. Tot voor het hiermee samensmolt, beschikte Rupelmonde over een oppervlakte van 188 ha en was het meteen de tweede kleinste gemeente van Oost-Vlaanderen.
Niettegenstaande deze kleine oppervlakte, die altijd bijzonder nadelig was voor de ontwikkeling van het stadje, manifesteerde Rupelmonde zich historisch gezien als zeker niet onbelangrijk. Het verkreeg immers als een van de eerste Vlaamse gemeenten , de titel en de voorrechten van "poorte ende Vreyheit". De gunstige locatie aan twee belangrijke bevaarbare rivieren en de ligging van het centrum van Rupelmonde , op 15 m boven de zeespiegel, doch op slechts 200 m van het water, vormen zonder twijfel een uitzonderlijk voordeel en hebben zeker bijgedragen tot de bloei van de stad. Geen wonder dat de plaats reeds zeer vroeg bewoond was.
De beenderen en silexstenen, gevonden tijdens de uitgravingen voor de steenbakkersnijverheid, tonen aan dat het grondgebied van Rupelmonde reeds bewoond was in het stenen tijdperk. Ook de Romeinen beschouwden deze plaats waarschijnlijk als één der meest geschikte voor de bewaking en verdediging van de Schelde. De talrijke hier opgegraven voorwerpen en waterputten uit deze periode, duiden daar op.
Vanaf de 12de eeuw ontwikkelde Rupelmonde zich, onder meer door de bouw van een gigantische waterburcht aan de Schelde en door zijn talrijke privileges, tot een ommuurde stad en een centrum voor handel en nijverheid. De stad verkreeg vele benijdenswaardige voorrechten : alle vis, die in de Schelde en in de Rupel, vanaf Saaftingen tot Eikenvliet en Drij Goten, gevangen werd, mocht alleen hier op de markt gebracht worden. Buiten de stad mocht er, in een omtrek van twee uren, geen bier gebrouwen worden. De Rupelmondse schippers mochten te Antwerpen vrij laden en lossen, doch de Antwerpse kregen niet hetzelfde recht te Rupelmonde. Tenslotte waren de poorters en hun goederen vrij van tol en andere rechten, zowel in Vlaanderen als in Brabant.
Rupelmonde kreeg zijn eerste keure in 1071 van Robert De Fries. In 1271 ontving de stad van Margaretha van Constantinopel het recht om tol te heffen op de Schelde en Rupel. In 1254 liet de stad belangrijke uitbreidingswerken uitvoeren aan het Gravenkasteel. Belangrijk voor de economische ontwikkeling van de stad was het recht, dat zij in 1330 kreeg van Lodewijk van Nevers, om als eerste en enige in het Land van Waas een weekmarkt in te richten. Alle goederen moesten eerst op de markt van Rupelmonde worden aangeboden, alvorens ze ergens anders mochten verkocht worden.
Een belangrijke gemeente als deze, met zulke talrijke voordelen, wekte natuurlijk afgunst en nijd op, met oorlogen en verwoestingen als gevolg. In haar bloeiperiode beschikte de stad over een groot aantal inwoners en woningen. Op het einde van de 15de eeuw telde de stad nog slechts 174 woningen en dit aantal slonk in 1583 tot nog amper 54. Deze oorlogen kwam Rupelmonde nooit meer te boven. Vestingen werden verwoest, stadswallen gevuld en poorten vernietigd. Daarbij voegde zich het verlies van de voornaamste voorrechten en inkomsten.
Maar Rupelmonde kwam terug tot grote bloei in de 19de eeuw. Het ontwikkelde zich tot een industrieel en cultureel knooppunt aan de Schelde. De industriële ontwikkeling ontsproot vooral uit de steenbakkerijen en de zoutziederijen. Hier werd één vijfde van het zoutverbruik in België gezieden, een gigantische hoeveelheid, zeker in een periode dat vele voedingswaren werden ingepekeld. Daarnaast werkten er nog verschillende brouwers, touwslagers, zeilmakers, mandenmakers, klompenmakers en zeepzieders. Zeer belangrijk was de kantnijverheid. Het grootste gedeelte van de vrouwen werkte in deze sector en sommige inwoners beoefenen deze activiteit vandaag nog steeds.
Al deze sectoren gingen echter verloren. Door de te kleine oppervlakte van de stad, was er, naast gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden, zelfs geen plaats voor het aanleggen van industrieterreinen. Momenteel is de belangrijkste economische bedrijvigheid in de gemeente de scheepsbouw.
Het bakken van steengebeurde in Rupelmonde reeds in de Romeinse tijd. De productie kwam tot grote bloei rond het midden van de 19de eeuw, toen hier een honderdtal steenbakkers actief waren. Dit hoogtepunt was echter van korte duur. Door de uitputting van de kleilagen liep het steenbakken rond 1880 op zijn Iaatste benen en verplaatste zich naar de naburige gemeente Steendorp. De eens zo bloeiende sector liet zijn sporen na in een diepe afgrond en in met water gevulde kleiputten.
Aan de zijgevel van de oude werkmanswoning aan de Lodderdamstraat nr. 9 waren drie bestempelde stenen ingemetseld . Ze verwezen naar de steenbakkerijnijverheid die in deze wijk gelegen was
Het beeld werd ontworpen door Frans Van Havermaet uit Sint-Niklaas, op verzoek van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land Van Waas. Het werd in 1871 op een neogotische arduinen sokkel geplaatst. Op de voet zijn de meridiaan en de coördinaten van het standbeeld aangebracht. Het Mercatorplein wordt echter vooral beheerst door de prestigieuse Onze-Lieve-Vrouwekerk.
De Onze-Lieve-Vrouwekerk
De huidige kerk staat op de plaats van de eerste kapel uit de 8ste eeuw. Deze werd vervangen door een Romaans kerkje, vermoedelijk in kruisvorm. In 1453 door oorlog zwaar beschadigd, wordt dit in gotische stijl herbouwd. Op 10 augustus 1603 teistert een onweer de toren zo erg dat hij, na voorlopige herstellingen door Rombaut Van Der Sande 1661, heropgebouwd moet worden. De gotische kerk krijgt dan een barokke toren naar een ontwerp van ingenieur P.P. Merckx uit Brussel. Het gebouw wordt in 1757-58 door de huidige monumentale kerk vervangen.
In het glasraam boven de toegangspoort ziet men Sint-Michaël, de patroonheilige van Rupelmonde. In de cartouche staat de tekst "eCCLestaDeo et Marlea renoVata". Het chronogram geeft de bouwdatum aan (1757).
Daar boven prijkt het wapenschild van Maximiliaan Van Der Noot.
Aan de zuidkant hangt een zonnewijzer en aan de zijbeuk ziet men eveneens een chronogram. Dit laatste duidt het bouwjaar aan (1758) en wordt aan de noordkant herhaald. In 1962 richtte men een zijkapel in als typische schipperskapel.
Het interieur is royaal gedecoreerd met beelden van onder andere Nicolaas Montoisi. De Onze-Lieve-Vrouwekerk bezit daarnaast een beeld van Maria-de-Nood-Gods uit 1649, waarvoor Jan Frans Nijs in 1749 een zilveren troon ontwierp, een lindenhout en kruisbeeld uit de 18de eeuw en een kruisweg geschilderd door Eugeen Van Maldeghem.
Achteraan in de kerk bevindt zich een merkwaardig schilderij "Bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth". Het is een kopie naar een werk van Jacob Jordaens, die het originele doek voor deze kerk schilderde. Dit werd evenwel in 1794 door de Fransen gestolen en overgebracht naar het Museum voor Schone Kunsten te Lyon.