- 1941- 1942 ? – De nieuwe laarzen.
Omdat de ruwe stof waaruit onze korte broekjes gemaakt zijn aanvoelt als schuurpapier zien onze billetjes na enkele dagen al vuurrood. De stof is afkomstig van een legerkapot van pa die er nu toch niks aan heeft vermits hij krijgsgevangen zit in Duitsland.
Ons ma is geen grote naaister en ze moet zich bovendien nog behelpen met wat ze kan krijgen of wat er voor handen is.Geld uitgeven aan kleding kan ze niet omdat ze amper genoeg verdient bij de boeren om eten te kopen voor haarzelf en haar twee jongens.
Als ze een stukje voering krijgt van Rozin de buurvrouw naait ze dit tegen de binnenkant van de broekpijpjes en na verloop van tijd geneest de roodheid vanzelf.
Weinig kinderen krijgen nieuwe kleren tijdens de oorlog, wij ook niet, en we voelen ons allerminst ongelukkig. Schoenen dragen we niet. We hebben er gewoon geen. Bovendien lopen we tijdens de zomermaanden meestal op blote voeten, zowel op straat als in huis.
Op die manier sparen we ook nog onze houten klompen om mee naar school te gaan
Klompen zijn een gemakkelijk en betaalbaar schoeisel en ze worden gemaakt door Blokske.
Voor weinig geld maakt die man uit een ‘blok’ populieren of wilgenhout, een klomp. Het is wonderlijk hoe snel hij dat kan klaarspelen en vaak zitten we met open mond te kijken naar zijn vaardige handen. Hij neemt de maat van onze voetjes met een meetstokje en na hoogstens een paar uur wachten zijn de klompen klaar.
Ooit heb ik eens blokschoenen gehad. Die bestonden uit een houten zool met bovenaan een lederen kap, zodat de ‘schoen’ beter aan je voet hield en veel lichter was dan een gewone klomp.
Je kon er ook sneller mee lopen.
Trouwens als je snel moest wegkomen, dan schopte je beter de klompen uit, nam ze in je handen en rende er blootsvoets vandoor, twee keer zo snel!
Die klompen zijn ook regelmatig stuk. Het populierenhout is wel vrij licht maar niet erg sterk. Hoe vaak moeten we niet gedurende weken naar school gaan met klompen waar een barst in is of een stuk uit?
Iemand die nooit klompen gedragen heeft is Eugène, onze buurjongen en schoolvriend.
Hij is enig kind en zijn moeder doet alles om hem te beschermen. Het gezin heeft vóór de oorlog een kind verloren, door ziekte, en nu mag ‘Eugèneke’ zeker niets overkomen of tekortkomen.
De pa van Eugéne is trambestuurder en kan hier niet gemist worden. Daarom moet hij niet voor een hongerloon naar Duitsland gaan werken zoals vele andere vaders.
Iedereen is dan ook stikjaloers de dag dat Eugène zijn nieuwe rubberlaarzen krijgt.
Door regen en plassen trekt hij ermee naar school, het kan hem allemaal niet deren, zijn voeten blijven droog!
Onze vriend woont in een bijhuis van het pachthof rechtover de weide waar boer René zijn koeien laat grazen.
Op een avond zijn we met alle buurtjongens weer aan het spelen op de straat vóór de weide.
Zoals elke avond rond dezelfde tijd steekt Maria, Eugène’s moeder, haar hoofd buiten de deur en roept:
‘Eugèneke ge moet uw papje komen eten!’
Het huis van Maria is altijd kraaknet en er mag nooit iemand naar binnen zonder eerst zijn klompen of schoenen uit te doen.
Eugène is goed opgevoed, doet plichtsgetrouw zijn laarsjes uit, zet ze op de stoep vòòr de deur neer, en gaat op zijn kousenvoeten naar binnen.
Boer René komt de straat over, doet het ijzeren hek open en haalt zijn koeien van de wei waarna hij ze naar de stal brengt om ze te laten melken. Het hek blijft open tot de volgende ochtend als het vee terugkomt. Dit is meteen het sein voor de jongens om in de wei te gaan voetballen.
Het is vrij koud en we houden onze klompen aan en stampen duchtig op een leeg conservenblik.
Den Elias, een kleine straatvechter, is ook van de partij en trapt het blik pardoes in een koeienvlaai.
‘Slim, hé?’ Zegt Verbiske, ‘Ge kunt het maar weer proper maken hoor!’
Den Elias zijn oogjes blinken. ‘Wacht, mannen…ik heb een idee!’
Voorzichtig vist hij het besmeurde busje uit de verse koeiendrek en vult het, met behulp van een paar dunne takjes, voor de helft met het donkere goedje. Daarna sluipt hij naar de voordeur waar de laarsjes staan.
Plots begrijp ik zijn bedoeling. ‘Nee Elias, dat gaat ge toch niet doen zeker?’
‘Jawel…’ grinnikt hij, en giet voorzichtig een deel van het vieze goedje in elke laarsopening.
Hij werpt de pot weg en begint dadelijk te roepen: ‘allé Gène… waar blijf je? Seffens is het donker en kunnen we niet meer spelen.’
‘Ik kom.’ Horen we een gedempte stem achter de deur.
De schrik slaat mij in de benen en ik zie dat iedereen zich al stilaan uit de voeten maakt.
Nog nagenietend van zijn lekker papje veegt Eugène met de rug van zijn hand zijn mond schoon en springt bijna met beide voeten tegelijk in zijn nieuwe laarzen.
Als uit een champagnefles spuit de stront langs zijn billen omhoog en dringt via de pijpen van zijn korte broek naar binnen.
‘Weeë!’ Schreeuwt hij en staat letterlijk aan de grond genageld.
‘Help mij, pa… help mij! Pa!’
Wij kunnen ons niet meer inhouden en schateren het uit.
Elias staat op twee meter van hem kromgebogen van het lachen.
Hij slaat met zijn beide handen op zijn knieën van dolle pret.
Als de bliksem gaat de voordeur opnieuw open en de trambestuurder verschijnt in het deurgat.
‘Wat gebeurt er hier?’ Vraagt hij stomverbaasd.
Als hij beseft wat er gaande is wordt zijn hoofd vuurrood en kijkt vol ongeloof in het rond.
‘Wie heeft dat gedaan?’ Brult hij. ‘Wie doet er onze Eugène zoiets aan? Wie is die lafaard?’
Ziedend van woede vliegt hij naar de dichtstbijzijnde rakker: den Elias.
Deze laatste kan hem maar net ontwijken en probeert weg te komen.
Dit gaat slecht aflopen.
Den Elias beseft dit ook, werpt vliegensvlug de klompen van zijn voeten en rent voor zijn leven.
Jean probeert hem te grijpen maar de kwajongen blijft net buiten zijn klauwen.
Daarop krijgt Jean één van zijn bekende astma-aanvallen en staakt noodgedwongen de achtervolging.
Vol machteloze woede balt hij zijn vuisten.
‘Rotzak…! Gij vuile stinkende… ! Dat…dat… zult ge bekopen!’ Hijgt hij, terwijl hij steun zoekt tegen de muur van de hooischuur.
Als hij ver genoeg uit de buurt van Jean is blijft Elias bedrukt staan kijken.
Het lachen is hem vergaan en hij wacht vol spanning op wat nu komen gaat.
Nieuwsgierig naar al dat lawaai is nu ook Maria buitengekomen. Wanneer ze haar arme oogappel ziet wenen slaat ze van ontsteltenis de handen voor haar mond.
‘Maar jongen toch, hoe heb je dat nu toch gedaan?’ Ze begrijpt niet hoe het komt dat haar lieveling zo helemaal onder de viezigheid zit en stinkt als de pest.
Alle jongens hebben zich intussen op veilige afstand teruggetrokken. Niemand heeft verwacht dat dit ‘grapje’ zulke felle uitbarsting van woede tot gevolg zou hebben.
Stilaan druipen we af naar huis terwijl het slachtoffer door zijn ouders wordt getroost en naar binnen gebracht.
Dagenlang loopt Elias met een grote boog rond het huis van Eugène. Hij blijft erg op zijn hoede, vooral als hij weet dat Jean thuis is.
Toch is dit maar het begin van een reeks strontaffaires die de meest verwendde en best geklede jongen uit onze buurt nog te wachten staan.
-------------------------------------------