Aftakeling 1800 - 1855, ombouw naar haven en visverwerking
*****
Op 22 maart 1805 vond door de magistraat een verkoop plaats van juffers, delen, kribben, stijlen, haverkisten enz. en een stal op afbraak, zoals toen op het Oldehuis staande. De grond waarop de stal stond was geen eigendom van de stad en werd niet mee verkocht.
In de vergadering van het Heemraadschap van Vollenhove van 20 november 1820 werd gezegd dat er wat puin zal komen van de afbraak van de oude toren op het Oldehuis, dat op de dijken gebruikt kan worden. Er zouden ongeveer 1000 - 1200 last puin zijn! De gouverneur van de provincie gaf op 23 juli 1821 toestemming tot aankoop.
Jacob van Lennep, later een bekend schrijver, en zijn studievriend Dirk van Hogendorp bezochten op hun omzwervingen door ons land ook Vollenhove en in hun dagboek schreven zij: donderdag 10 juli 1823 de stad rondgewandeld en bemerkt, dat men bezig was een nieuwe haven uit te graven. Dicht bij die haven zagen we een groot oud slot met vervallen torens, omringd door een diepe en brede, droge gracht. Het slot was toen ingericht als gevangenis. Daar binnengekomen, zagen we op een groot binnenplein, omringd door hoge wallen en ingestorte gebouwen, aan de achterzijde een kleine omrasterde plaats, waarbinnen gevangenen. Boven naar de toren leidde een wenteltrap, waarvan elke trede uit één steen gebeiteld was. Een andere toren werd ook beklommen en er werd gewandeld over gebroken balken en muren.
Uit de raadsnotulen van 2 juni 1823 blijkt dat voor het graven van de haven grond aangekocht werd vanaf de poort van het Oldehuis tot de palen rechtuit en dat toen besloten werd tot het uitdiepen en verbreden van de gracht van het Oldehuis. Een jaar daarvoor was al rijkssubsidie gevraagd voor het graven van een kanaal van de slotgracht naar de zee.
Baron R.W. van Middachten speelde een rol bij de ontwikkeling van de nijverheid rond de visserij en de binnenhaven, die in 1824 gereed kwam. Behalve een haven werd ook een haringrokerij gebouwd. De baron was eigenaar van deze bokkinghang.
In 1830 zijn door het aanleggen van de buitenhaven de brede grachten om het kasteel direct met de zee in verbinding gebracht. In dat jaar honoreert de Gemeente ook het Verzoekschrift van het College van Regenten van de Gevangenis te Vollenhove om overname in de kosten van het herstel van de havenmuur met gebruikmaking van puin uit het Oldehuis.
In de Geschiedkundige verhandelingen over Vollenhove 1831 van J. A. Baron de Vos van Steenwijk staat dat in de muur bij de grote trap van het kasteel namen en jaartallen uit het midden der 16e eeuw gevonden worden.
In het Oldehuis, dat vroeger tot gevangenis diende, is in 1841 een grote katoenweverij en spinnerij gevestigd. In het gemeentearchief bevinden zich diverse stukken betreffende het gebruik van het Oldehuis als weverij door ondernemer E. Ekker c.s., het onderhoud en de veiling van het gebouw uit de periode 1834-1855, met hiaten. Het gebouw was toen eigendom van het Ministerie van Justitie. Verder gegevens uit 1841 over de calicot-weverij van E. Ekker 1841. Blijkbaar exporteert deze fabrikant ook naar Nederlands-Indië. In 1841 heeft hij 100 weefgetouwen in bedrijf!
De ruïne van het slot werd in 1854 door Domeinen verkocht aan Jr. van Swinderen en wel voor afbraak voor f 5300. De notulen van de Gemeenteraad van 2 december 1847 vermelden nog dat voor het Oldehuis geboden was f 1000 en die van 5 februari 1849 vermelden dat dit bod verhoogd was tot f 2000. Aan het opruimen is nog 4 jaar gewerkt. In het archief van Marxveld is dit vers in dialect over die verkoop te vinden: Mos één van Vrieslands riekste heeren / Ons 't brokkien brood verdistrueren? / Drie stukkies 's weeks was 't altemet / Veur un gezin dan nog te vet? / 'k Was erg bevreesd reeds sedert weeken / Dat men 't Oldhuus zal af goan breêken / Want, woar men 't breêken niet en kent / Volno is 't slopen wel èwent. / Zoas een hond an 't bot kan pluuzen / Zo vielen hier de heerenhuuzen / Schier ongemerkt in sloopers haand. / En raakten zuuties an de kaant. enz.
Aan de eigenaren van het terrein van het Oldehuis werd door de gemeente op 4 september 1855 toegestaan de weg naar de gewezen poort op te knappen en de gaten, ontstaan door uitgraving der fundamenten der poort, te dichten.
Woonoord voor vissers en bedrijventerrein voor visverwerking 1859 - 1958
In 1859 is het restant van dit gebouw voor het grootste gedeelte verkocht aan enkele vissers, die bij de ontruiming van Schokland daar hun verblijf kregen.
In 1884 of 1885 is het grootste deel van het terrein vergraven tot vergroting van de binnenhaven.
Een grote brand in 1899 verwoestte de woningen van de vissers op het eiland, toen 'Het fort' genoemd in de volksmond, officieel heette het 't Oldehuysplein.
Boven twee deuren van het middengedeelte van het rijtje woonhuizen dat daarna verrees op het fort waren steentjes met opschrift: "de eerste steen / gelegd door / Dirk Klappe Dz. / 17 maart 1900," en: "de eerste steen / gelegd door / Thijmen de Boer Tz. / 17 maart 1900". In het oostelijk gedeelte van dit complex huizen was vroeger een garnalenkokerij.
Woonoord voor vissers en bedrijventerrein voor visverwerking 1859 - 1958
In 1859 is het restant van dit gebouw voor het grootste gedeelte verkocht aan enkele vissers, die bij de ontruiming van Schokland daar hun verblijf kregen.
In 1884 of 1885 is het grootste deel van het terrein vergraven tot vergroting van de binnenhaven.
Een grote brand in 1899 verwoestte de woningen van de vissers op het eiland, toen 'Het fort' genoemd in de volksmond, officieel heette het 't Oldehuysplein.
Boven twee deuren van het middengedeelte van het rijtje woonhuizen dat daarna verrees op het fort waren steentjes met opschrift: "de eerste steen / gelegd door / Dirk Klappe Dz. / 17 maart 1900," en: "de eerste steen / gelegd door / Thijmen de Boer Tz. / 17 maart 1900". In het oostelijk gedeelte van dit complex huizen was vroeger een garnalenkokerij.
In 1914 krijgt J. van Smirren vergunning van de Gemeente voor het oprichten van een fabriek voor vis- en groentenconserven aan het Oldehuisplein nr. 9, kadastrale sectie
A nr. 699. Vervolgens krijgt in 1915 de Weduwe O. van Gulik vergunning voor het oprichten van een visrokerij aan het Oldehuysplein nr. 10a, kadastrale sectie A nr. 774.
Het adres Oldehuysplein 130 was van de scheepswerf J. Kroeze, met een helling die van het oorspronkelijke eiland een schiereiland maakte.
Eind 1920 kocht de gemeente van de firma Gombrun, een voormalig visconservenbedrijf, hun gebouw op het Oldehuysplein. Op die plaats werden vijf noodwoningen geplaatst. Het bouwrijp maken kostte f 1500, de bouw zelf werd begroot op f 6600 en voor de voorbereiding en de uitvoering werd f 100 begroot. De jaarlijkse inkomsten zouden aan huur f 390 bedragen (f 7.50 per woning per week). De bouwkosten bedroegen uiteindelijk ruim f 7000.
Voordat de noodwoningen gebouwd konden worden, moet er eerst nog een lading zout weggehaald worden. Het moest opgeslagen worden in de kelders, maar dat had veel voeten in de aarde. Uiteindelijk bleek J. van Gulik, reder en visverwerker, geïnteresseerd in het zout.
Eén van de toekomstige bewoners was Jan Hoogenkamp, een man met een weekinkomen van f 6. Zijn vrouw had geen inkomsten en een zoon van zesentwintig verdiende f 5 per week. Verder had de heer Hoogenkamp nog een dochter van twintig en een dochter van zestien. Bij dit karige gezinsinkomen van f 11 is een huur van f 7.50 een behoorlijke aanslag.
Dat het leven niet altijd gemakkelijk was in deze kleine gemeenschap (15 gezinnen) op zich blijkt uit krantenartikelen uit 1925 en 1956.
Het Nieuws- en Advertentieblad oftewel de 'Sluziger' van 5 maart 1925 meldt:
Maandag j.l. had op het Oldehuysplein (het z.g. Fort) alhier een woordenwisseling plaats tussen twee huisvrouwen over het spannen van een drooglijn. Zekere T. Rozeboom, een oude man van ruim 86 jaar, eveneens daar woonachtig, bemoeide zich er ook mede, door met zijn stok tussenbeide te komen, doch kwam terugloopende, op een gegeven ogenblik in de Binnenhaven terecht. Door enige in de buurt bevindende personen werd de oude, die tijdens de val enige verwondingen aan het hoofd had gekregen spoedig weer op het droge gebracht, waarna door de inmiddels ontboden geneesheer, den heer Donker, de eerste geneeskundige hulp werd verleend.
Het Steenwijker Dagblad doet in 1956 verslag van een rechtzitting, waar een aantal bewoners voor het uitdelen van klappen mochten verschijnen.
Omstreeks 1958 zijn deze woningen afgebroken, veel bewoners kregen een nieuw huis aangeboden in de Canneveltstraat.
De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek liet in 1968 op het Fort naar overblijfselen van het Oldehuis zoeken. De opgravingen onder leiding van Van Pernis leverden hoegenaamd niets op.
Het laatste overblijfsel van het Oldehuis is een steen - waarschijnlijk een wijsteen - die bij de afbraak van de laatste resten in de periode 1854 - 1859, in 1855 door de toenmalige parochiepastoor L.B. Mulder is gevonden. De steen is ingemetseld in de huidige Rooms-Katholieke kerk, gebouwd in 1953, rechts naast het koor en links van de toegang tot de sacristie, voorzien van een plaquette
*****
Henk van Heerde
*****
Op 22 maart 1805 vond door de magistraat een verkoop plaats van juffers, delen, kribben, stijlen, haverkisten enz. en een stal op afbraak, zoals toen op het Oldehuis staande. De grond waarop de stal stond was geen eigendom van de stad en werd niet mee verkocht.
In de vergadering van het Heemraadschap van Vollenhove van 20 november 1820 werd gezegd dat er wat puin zal komen van de afbraak van de oude toren op het Oldehuis, dat op de dijken gebruikt kan worden. Er zouden ongeveer 1000 - 1200 last puin zijn! De gouverneur van de provincie gaf op 23 juli 1821 toestemming tot aankoop.
Jacob van Lennep, later een bekend schrijver, en zijn studievriend Dirk van Hogendorp bezochten op hun omzwervingen door ons land ook Vollenhove en in hun dagboek schreven zij: donderdag 10 juli 1823 de stad rondgewandeld en bemerkt, dat men bezig was een nieuwe haven uit te graven. Dicht bij die haven zagen we een groot oud slot met vervallen torens, omringd door een diepe en brede, droge gracht. Het slot was toen ingericht als gevangenis. Daar binnengekomen, zagen we op een groot binnenplein, omringd door hoge wallen en ingestorte gebouwen, aan de achterzijde een kleine omrasterde plaats, waarbinnen gevangenen. Boven naar de toren leidde een wenteltrap, waarvan elke trede uit één steen gebeiteld was. Een andere toren werd ook beklommen en er werd gewandeld over gebroken balken en muren.
Uit de raadsnotulen van 2 juni 1823 blijkt dat voor het graven van de haven grond aangekocht werd vanaf de poort van het Oldehuis tot de palen rechtuit en dat toen besloten werd tot het uitdiepen en verbreden van de gracht van het Oldehuis. Een jaar daarvoor was al rijkssubsidie gevraagd voor het graven van een kanaal van de slotgracht naar de zee.
Baron R.W. van Middachten speelde een rol bij de ontwikkeling van de nijverheid rond de visserij en de binnenhaven, die in 1824 gereed kwam. Behalve een haven werd ook een haringrokerij gebouwd. De baron was eigenaar van deze bokkinghang.
In 1830 zijn door het aanleggen van de buitenhaven de brede grachten om het kasteel direct met de zee in verbinding gebracht. In dat jaar honoreert de Gemeente ook het Verzoekschrift van het College van Regenten van de Gevangenis te Vollenhove om overname in de kosten van het herstel van de havenmuur met gebruikmaking van puin uit het Oldehuis.
In de Geschiedkundige verhandelingen over Vollenhove 1831 van J. A. Baron de Vos van Steenwijk staat dat in de muur bij de grote trap van het kasteel namen en jaartallen uit het midden der 16e eeuw gevonden worden.
In het Oldehuis, dat vroeger tot gevangenis diende, is in 1841 een grote katoenweverij en spinnerij gevestigd. In het gemeentearchief bevinden zich diverse stukken betreffende het gebruik van het Oldehuis als weverij door ondernemer E. Ekker c.s., het onderhoud en de veiling van het gebouw uit de periode 1834-1855, met hiaten. Het gebouw was toen eigendom van het Ministerie van Justitie. Verder gegevens uit 1841 over de calicot-weverij van E. Ekker 1841. Blijkbaar exporteert deze fabrikant ook naar Nederlands-Indië. In 1841 heeft hij 100 weefgetouwen in bedrijf!
De ruïne van het slot werd in 1854 door Domeinen verkocht aan Jr. van Swinderen en wel voor afbraak voor f 5300. De notulen van de Gemeenteraad van 2 december 1847 vermelden nog dat voor het Oldehuis geboden was f 1000 en die van 5 februari 1849 vermelden dat dit bod verhoogd was tot f 2000. Aan het opruimen is nog 4 jaar gewerkt. In het archief van Marxveld is dit vers in dialect over die verkoop te vinden: Mos één van Vrieslands riekste heeren / Ons 't brokkien brood verdistrueren? / Drie stukkies 's weeks was 't altemet / Veur un gezin dan nog te vet? / 'k Was erg bevreesd reeds sedert weeken / Dat men 't Oldhuus zal af goan breêken / Want, woar men 't breêken niet en kent / Volno is 't slopen wel èwent. / Zoas een hond an 't bot kan pluuzen / Zo vielen hier de heerenhuuzen / Schier ongemerkt in sloopers haand. / En raakten zuuties an de kaant. enz.
Aan de eigenaren van het terrein van het Oldehuis werd door de gemeente op 4 september 1855 toegestaan de weg naar de gewezen poort op te knappen en de gaten, ontstaan door uitgraving der fundamenten der poort, te dichten.
Woonoord voor vissers en bedrijventerrein voor visverwerking 1859 - 1958
In 1859 is het restant van dit gebouw voor het grootste gedeelte verkocht aan enkele vissers, die bij de ontruiming van Schokland daar hun verblijf kregen.
In 1884 of 1885 is het grootste deel van het terrein vergraven tot vergroting van de binnenhaven.
Een grote brand in 1899 verwoestte de woningen van de vissers op het eiland, toen 'Het fort' genoemd in de volksmond, officieel heette het 't Oldehuysplein.
Boven twee deuren van het middengedeelte van het rijtje woonhuizen dat daarna verrees op het fort waren steentjes met opschrift: "de eerste steen / gelegd door / Dirk Klappe Dz. / 17 maart 1900," en: "de eerste steen / gelegd door / Thijmen de Boer Tz. / 17 maart 1900". In het oostelijk gedeelte van dit complex huizen was vroeger een garnalenkokerij.
Woonoord voor vissers en bedrijventerrein voor visverwerking 1859 - 1958
In 1859 is het restant van dit gebouw voor het grootste gedeelte verkocht aan enkele vissers, die bij de ontruiming van Schokland daar hun verblijf kregen.
In 1884 of 1885 is het grootste deel van het terrein vergraven tot vergroting van de binnenhaven.
Een grote brand in 1899 verwoestte de woningen van de vissers op het eiland, toen 'Het fort' genoemd in de volksmond, officieel heette het 't Oldehuysplein.
Boven twee deuren van het middengedeelte van het rijtje woonhuizen dat daarna verrees op het fort waren steentjes met opschrift: "de eerste steen / gelegd door / Dirk Klappe Dz. / 17 maart 1900," en: "de eerste steen / gelegd door / Thijmen de Boer Tz. / 17 maart 1900". In het oostelijk gedeelte van dit complex huizen was vroeger een garnalenkokerij.
In 1914 krijgt J. van Smirren vergunning van de Gemeente voor het oprichten van een fabriek voor vis- en groentenconserven aan het Oldehuisplein nr. 9, kadastrale sectie
A nr. 699. Vervolgens krijgt in 1915 de Weduwe O. van Gulik vergunning voor het oprichten van een visrokerij aan het Oldehuysplein nr. 10a, kadastrale sectie A nr. 774.
Het adres Oldehuysplein 130 was van de scheepswerf J. Kroeze, met een helling die van het oorspronkelijke eiland een schiereiland maakte.
Eind 1920 kocht de gemeente van de firma Gombrun, een voormalig visconservenbedrijf, hun gebouw op het Oldehuysplein. Op die plaats werden vijf noodwoningen geplaatst. Het bouwrijp maken kostte f 1500, de bouw zelf werd begroot op f 6600 en voor de voorbereiding en de uitvoering werd f 100 begroot. De jaarlijkse inkomsten zouden aan huur f 390 bedragen (f 7.50 per woning per week). De bouwkosten bedroegen uiteindelijk ruim f 7000.
Voordat de noodwoningen gebouwd konden worden, moet er eerst nog een lading zout weggehaald worden. Het moest opgeslagen worden in de kelders, maar dat had veel voeten in de aarde. Uiteindelijk bleek J. van Gulik, reder en visverwerker, geïnteresseerd in het zout.
Eén van de toekomstige bewoners was Jan Hoogenkamp, een man met een weekinkomen van f 6. Zijn vrouw had geen inkomsten en een zoon van zesentwintig verdiende f 5 per week. Verder had de heer Hoogenkamp nog een dochter van twintig en een dochter van zestien. Bij dit karige gezinsinkomen van f 11 is een huur van f 7.50 een behoorlijke aanslag.
Dat het leven niet altijd gemakkelijk was in deze kleine gemeenschap (15 gezinnen) op zich blijkt uit krantenartikelen uit 1925 en 1956.
Het Nieuws- en Advertentieblad oftewel de 'Sluziger' van 5 maart 1925 meldt:
Maandag j.l. had op het Oldehuysplein (het z.g. Fort) alhier een woordenwisseling plaats tussen twee huisvrouwen over het spannen van een drooglijn. Zekere T. Rozeboom, een oude man van ruim 86 jaar, eveneens daar woonachtig, bemoeide zich er ook mede, door met zijn stok tussenbeide te komen, doch kwam terugloopende, op een gegeven ogenblik in de Binnenhaven terecht. Door enige in de buurt bevindende personen werd de oude, die tijdens de val enige verwondingen aan het hoofd had gekregen spoedig weer op het droge gebracht, waarna door de inmiddels ontboden geneesheer, den heer Donker, de eerste geneeskundige hulp werd verleend.
Het Steenwijker Dagblad doet in 1956 verslag van een rechtzitting, waar een aantal bewoners voor het uitdelen van klappen mochten verschijnen.
Omstreeks 1958 zijn deze woningen afgebroken, veel bewoners kregen een nieuw huis aangeboden in de Canneveltstraat.
De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek liet in 1968 op het Fort naar overblijfselen van het Oldehuis zoeken. De opgravingen onder leiding van Van Pernis leverden hoegenaamd niets op.
Het laatste overblijfsel van het Oldehuis is een steen - waarschijnlijk een wijsteen - die bij de afbraak van de laatste resten in de periode 1854 - 1859, in 1855 door de toenmalige parochiepastoor L.B. Mulder is gevonden. De steen is ingemetseld in de huidige Rooms-Katholieke kerk, gebouwd in 1953, rechts naast het koor en links van de toegang tot de sacristie, voorzien van een plaquette
*****
Henk van Heerde
Laatst gewijzigd door majke op 02 jan 2006, 19:27, 1 keer totaal gewijzigd.
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
