Kleine of Mariakerk.
***
In 1423 is deze kerk gebouwd op de plaats van een kapel uit ongeveer 1380.
De kerk in zijn huidige vorm is een bakstenen gebouw, bestaande uit een eenbeukig schip, een 5/8 gesloten koor en een vierkante toren, gebouwd in 1450 met een vierkante traptoren aan de zuidzijde. Deze torenbouw symboliseerde de H. Maria met het Kindeke.
De kerk heeft kleine spitsbogige vensters. In de zuidgevel een gedichte spitsbogige doorgang van een vroegere aanbouw. De eerste steunbeer aan het westen staat overhoeks, zo de westelijke begrenzing van de kerk aangevend vóór de vergroting in 1450.
Als metselkalk heeft men destijds leem gebruikt, later zijn de stenen ingevoegd met cement. De toren bestaat uit twee sterk inspringende geledingen uit het derde kwartaal van de 15e eeuw met daarboven een achtkantige koepel.
De kerk heeft houten gewelven.
***
Plan uit 1402.
******
Dat ook in vroeger tijd voorgenomen bouwplannen de nodige tijd vroegen, leert ons de totstandkoming van de O.L. Vrouwekapel, in de omgangstaal veelal de Mariakerk genoemd.
De inventaris van het oud-archief van de stad Vollenhove meldt daarover het volgende: "1402, januari 12. Ghert Borre, schout te Vollenhove, Aernt by Westen, Volkier Ruwine, Ghert Lulle, Coenraet der Witte, Ghert ten Wynckel, Gosen van Ewyne en Herman de Bodeker, schepenen van Vollenhove, oorkonden, dat voor hen in het gericht Heyne Belyenzoon en Mylle, zijne vrouw, overdroegen ten behoeve van de "tymmeringe in de ere Onser Liever Vrouwen toe Vollenhoe" hun huis en hofstede, gelegen in den "Kamp van Vollenhoe in de Bisschopsstrate". Het duurt dan nog 21 jaar, voordat tot de werkelijke stichting van de beoogde kapel wordt overgegaan. In het zoëven genoemd archief wordt onder kerkelijke zaken nr. 331 vermeld: "Acte, waarbij schepenen en raad van Vollenhove een kapel ter eere der H. Maagd Maria stichten en Nicolaas de Lynge voorstellen tot vicarius bij die kapel. 1423." Dit gebeurt op 14 mei van dat jaar, waarna 23 juni goedkeuring van de stichting van de kapel door de Utrechtse bisschop Frederik III van Blankenheim wordt verkregen.
*********
Stichting in 1423.
****
De stichtingsbrief van 14 mei 1423, aanwezig in het Stadsarchief, is in zijn geheel opgenomen in de Bijdragen Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel 19, blz. 448. Toen werd door Schepenen en Raad alsmede de burgers van Vollenhove dus verklaard dat zij met toestemming van de pastoor der kerspelkerk aldaar hebben gesticht uit hun goederen en aalmoezen een nieuwe kapel en een vicarie of altaar in die kapel staande en zijn aan dezen de onderbeschreven goederen toegewezen. Uit de giften van de bevolking hiervoor zal ik iets vermelden. Johannes Mulert schenkt een geldbedrag uit zijn goederen gelegen "bij Westen", Jutta van Oestenwolde een schepel gerst uit haar goederen achter den Camp dicht bij de weg(wijk ?) die voert naar "an de Benthet", Wilhelmus van Ede twee akkers buiten de kamp Vollenhove bij de windmolen van onze Heer van Utrecht, die zich uitstrekken "an den goer", Dydaens de timmerman en vrouw een huis en erf in de stad bij de Oosterpoort tussen de Bisschops- en Nieuwstraat, Nicolaas Ottens en vrouw een geldbedrag uit een huis en erf buiten de grens of gracht van de stad bij "Benthet" tussen de woonsteden van Herman van Cuynre en Sweder van der Eze. Bisschop Fredericus keurt op 23 juni 1423 deze stichting goed en benoemt tot eerste bezitter van deze kapellanie Ludolphus de Lynge, klerk van het bisdom Osnabruggen.
*******
Bouw van de toren in 1450.
******
Over de bouw van de toren vóór de kapel, die aanvankelijk los stond maar later daarmee is verbonden, is ook het één en ander bekend. In 1450 is men met het optrekken ervan begonnen, acht jaar later was men met de afwerking bezig. Dit laatste blijkt weer uit het oud-archief, waarin op 29 november 1458 staat vermeld: "Burgemeesters, schepenen en raad van Vollenhoe, oud en nieuw, oorkonden, dat voor hen Johan Barchorst, Herman Wissene en Wolter Roede Beerntsen, kerkmeesters en timmermeesters van Onser Liever Vrouwen kapel, verklaren, dat zij ter voltooiing der werkzaamheden aan den toren dier kapel van heer Gheert Hobing, priester, ontvangen hebben 52 Rijnsche gulden, waarvoor zij verklaren van hem over te nemen de betaling van eene jaarrente, groot 2 1/2 Rijnsche gulden 1 oort enz." In oorsprong bestond deze toren uit drie geledingen, afgedekt door een lage spits.
Met betrekking tot de klokken kan men zich afvragen, of er bij de voltooiing al één of meer klokken in de toren aanwezig waren. Vermoedelijk wel, want er bevindt zich een klokkenstoel waar plaats is voor twee zware klokken. Als er omstreeks 1458 twee klokken gekomen zijn, wie is dan de gieter en de leverancier? In die tijd woonde en werkte er in Zwolle ene Jan Ghisberts Potghyter, waarvan een klok uit Wilsum nog bestaat. Misschien dat ook de klok van 1457 te Borne en die van de kapel van het kasteel Altena in Beckum (inmiddels allang verdwenen) van hem zijn. Aan de andere kant is het zo, dat Vollenhove een sterke band had met de stad Utrecht: de achtereenvolgende bisschoppen van de Domstad verbleven vaak op het Slot op De Voorst. Mocht Utrecht de plaats zijn waar de klokken zijn gegoten dan kan het bijna niet anders, of zij zijn vervaardigd door één van de leden van het gietersgeslacht Butendiic, dat toentertijd daar zijn gieterij had.
***********
www.henkvanheerde.nl/vollenhove