ALGEMEEN
Ronse is "de koningin van de Vlaamse Ardennen" : hier klopt het hart van deze prachtige streek. Evenals de andere steden in de omgeving kende Ronse een woelige geschiedenis. Destijds bloeide hier de lakennijverheid ; Sanderus plaatste Ronse in zijn Flandria Illustrata zelfs onmiddellijk achter de Vlaamse koninginnesteden : Gent, Brugge en Ieper.
Ook in de vorige eeuw bloeide hier de textielnijverheid, zij het niet altijd onder de beste omstandigheden voor de arbeiders die er waren tewerkgesteld. Vandaag draait de industriële activiteit in Ronse op een lager niveau en zijn vele Ronsenaars genoodzaakt hun broodwinning elders te zoeken : in Oudenaarde en Gent of - met de trein - naar Brussel.
Ronse ligt op de taalgrens en heeft bijgevolg het statuut van taalgrensgemeente met faciliteiten voor de Franstaligen. De meeste Ronsenaars zijn tweetalig en spreken uiteraard ook het plaatselijke dialect dat merkwaardig kan genoemd worden. Door de franstalige invloeden en de grote inwijking van Gentse arbeiders in de XIX de eeuw lijkt het "Ronsies" eerder op het Gentse dialect dan op de andere spreektalen uit de buurt. Niets is beter dan een bezoekje aan een volkscafé om dit sappige taaltje eens in het echt te aanhoren.
*************
GESCHIEDENIS
*************
Vanaf het Paleolithicum werden reeds verschillende heuvels in de Vlaamse Ardennen door de mens bewoond. De talrijke gevonden vuurstenen schrabbers en spitsen wijzen op plaatselijke activiteiten zoals jacht, vlees- en huidbewerking.
Naast de Kluisberg, Hotond, Pottelberg en Mont de Rhodes trof men in en rond het Muziekbos te Ronse ook sporen aan van deze menselijke activiteiten.
Onze streek werd echter voor het eerst echt bevolkt tijdens het Neolithicum. Deze samenleving was vooral gebaseerd op landbouw en veeteelt, en dit gebeurde in permanente woonkernen in de nabijheid van landerijen en kudden, en niet meer in tijdelijke kampen
In de VII de eeuw voor Christus brachten de Kelten vanuit het Rijngebied de ijzertijd bij ons binnen: zij vochten te paard en bovendien beschikten zij over ijzeren zwaarden. Tegen deze revolutie in de krijgskunst was de inheemse bevolking uiteraard niet opgewassen.
Omstreeks 125 voor Christus behoorde Ronse waarschijnlijk tot het gebied van de Nerviërs (Henegouwen), maar het lag ook dicht bij de grens der Menapiërs.
In de Romeinse Tijd bevond zich op het grondgebied van Ronse een nederzetting. Zo vinden we fragmenten van een Romeins bouwwerk die als recuperatiemateriaal herbruikt werden in de romaanse gewelven van de Sint-Hermescrypte. Eveneens als recuperatiemateriaal vinden we in deze crypte een deel van een sculptuur met dansende bacchante. Romeinse munten werden gevonden op de Muziekberg (1836) en in het Bois Joly op Hogerlucht (1955), respectievelijk daterend uit de IV de en de II de eeuw na Christus.
Op het eind van de V de eeuw werden de Romeinen definitief uit onze gewesten verjaagd door de krijgsheer Childerik. Waar de Romeinse cultuur de Germaanse bezetting overleefde, zou later - wat wij nu noemen - de taalgrens ontstaan.
Het ontstaan van de eerste echte woonkern wordt gesitueerd rond het midden van de VII de eeuw, wanneer Sint-Amandus onze gewesten tot het christendom bekeert. Vermoedelijk was het Amandus zelf ofwel één van zijn volgelingen die in Ronse een eerste kleine religieuze gemeenschap stichtte, opgedragen aan de heiligen Petrus en Paulus.
Een kapitale datum in de geschiedenis van Ronse is 6 juli 860, de aankomst van de relieken van Sint-Hermes te Ronse. Keizer Lotharius zou deze relieken, die reeds in 851 te Salzburg aankwamen, voor Ronse voorbestemd hebben. Doch de vorst overleed in 855 en het was zijn opvolger, Lodewijk II, die ze naar Ronse liet overbrengen. Dit verblijf zou echter van korte duur zijn: in 880 vluchtten de monniken met hun kostbaarheden naar Keulen uit vrees voor de oprukkende Noormannen. Die overwinterden in 879-880 in Gent, en in het voorjaar voeren ze de Schelde af. Ook Doornik werd aangevallen. In de X de eeuw ontstond er een kapittel van kanunniken dat zich opwierp als de erfgenaam van de gevluchte monniken. De vroegere goederen van het klooster en de relieken van Sint-Hermes werden, met tussenkomst van Fulbert, bisschop van Cambrai, gerecupereerd in 940.
Vanaf deze datum ontwikkelde Ronse zich als stad. De relieken werden in 1089 ondergebracht in een nieuwe romaanse crypte, waarboven in 1129 een nieuwe Sint-Hermeskerk werd ingewijd. De komst van vele geesteszieken en hun begeleiders, die bij Sint-Hermes soelaas kwamen zoeken, gaf tevens een economische impuls aan de stad. Gaandeweg ontwikkelde zich dus een eerste stadskern rond het huidige Kaatsspelplein en de Kleine Markt, de Vrijheid. Die Vrijheid, waarvan de traditie wil dat ze door Otto I, keizer van het Heilig Rooms Rijk, aan het klooster geschonken werd, zal tot aan het einde van het Ancien Régime een soort enclave in de stad blijven. Zij zou rechtstreeks bestuurd worden door het Kapittel, dat ook instond voor een zelfstandig juridisch en fiscaal bestel: de volledige rechtsmacht werd er uitgeoefend. Zo stond de galg van de Vrijheid tot in de XVIII de eeuw achter het huidig Museum voor Folklore. Alle rechtshandelingen die plaatsvonden in de dorpen van het Tenement of leengoed van Inde (o.a. Elst, Hundelgem, Michelbeke) werden verleden voor de baljuw en de leenmannen van de Vrijheid. De Kanuniken voorzagen ook in onderwijs, vooral muziekonderwijs, dat in de XV-de en XVI-de eeuw op een bijzonder hoog peil stond.
In 1240 schonk Gerard de Waudrupont, ondervoogd van de abdij van Cornelimünster aan de Inde, de eerste vrijheidskeure aan de stad. Hierin werden een aantal bepalingen opgenomen die de wederzijdse verhoudingen en verplichtingen op bestuurlijk, juridisch, sociaal, militair en financieel vlak tussen de heer en de inwoners reguleerden. Op die manier werd willekeur ingeperkt en werd een vorm van rechtszekerheid gegarandeerd. De Ronsenaars waren er uiteraard erkentelijk om en boden daarom een 'crucoecke', die kostbare specerijen bevatte, aan hun heer aan. Dit gebruik bleef door de eeuwen heen bestaan. Dit feodaal hommage trotseerde oorlogen, rampen en revoluties en wordt nog jaarlijks herhaald tijdens de Fiertel.
Vanaf 1250 kende Ronse ook een steile opgang van de industrie, voornamelijk de lakennijverheid. Jan I, hertog van Brabant, verleende aan de Ronsese lakenhandelaars een privilege, waarmee ze o.a. een vaste standplaats kregen in de Lakenhalle van Leuven en vrijstelling genoten van het betalen van belastingen.
Na de overschakeling, onder druk van de Engelse concurrentie, van wol- naar vlasnijverheid kon Ronse door de productie van lijnwaadartikelen de godsdienstoorlogen en de grote uitwijking van protestanten toch economisch overleven. Via de markten van Oudenaarde en Ath werd het lijnwaad verhandeld; het vond via Spanje ook de weg naar de Nieuwe Wereld.
Weldra kwamen de voorboden voor het verval van deze hoogconjunctuur. Na de stadsbranden van 1513 en 1553 was deze van 1559 catastrofaal: in twee uren tijd stonden heel de stadskom en de aangrenzende huizen in lichterlaaie. Werkplaatsen, getouwen, grondstoffen en weefsels van de textielindustrie gingen in de vlammen op. Ondernemers en handelaars waren bankroet, de gewone man werkloos. Slechts acht huizen werden door de vlammen gespaard.
Geleidelijk aan begon een nieuw gedachtengoed opgang te maken: Lutheranen, Wederdopers, Calvinisten. In Ronse, dat nog gebukt ging onder de gevolgen van de laatste brand, vonden deze ideeën grote weerklank. Op 15 augustus 1566 vond hier de Beeldenstorm plaats. De kanunniken vluchtten naar Ath en de Sint-Hermeskerk werd tijdelijk bezet door de geuzen en daarna gesloten. De reactie op de golf van geweld die onze gewesten overspoelde liet niet lang op zich wachten. Filips II stuurde de hertog van Alva naar de Nederlanden op de opstand, die naast religieuze ook politieke motieven had, neer te slaan. Hij installeerde de Raad van Beroerte of de Bloedraad.
In de XVII de eeuw ging graaf Jan van Nassau-Siegen, die op 28 maart 1629 de heerlijkheid en baronie gekocht had, over tot de bouw van een kasteel in Ronse. Het prachtig rechthoeking gebouw met een centrale binnenkoer werd één van de grootste kastelen van de Nederlanden genoemd. Als militair, hij was kolonel van een Duits regiment en werd later generaal van de cavalerie in Vlaanderen, was hij echter dikwijls op campagne. Hij overleed in Ronse op 29 juli 1638. Zijn weduwe verbleef op het kasteel van Ronse.
Na de slag bij Fleurus (26 juni 1794), werden onze gewesten door de Fransen bezet. Zowel adel als geestelijkheid werden door de Franse revolutionairen geviseerd: de baronie werd opgeheven en het kasteel van Ronse, dat na de Nassaus in handen gekomen was van de familie de Mérode, werd verkocht. Vanaf dan begon het kasteel zeer snel tot een ruïne te vervallen. De laatste koper, Alexandre-Louis Van Hove, kon het gebouw niet alleen onderhouden en bood het in 1821 voor een bescheiden som te koop aan aan het stadsbestuur. Burgemeester Eugène-Ferdinand Fostier verwierp het aanbod, waardoor het kasteel nog verder verviel en in 1823 volledig afgebroken werd. Dit alles was het gevolg van een vete tussen de Van Hoves (tijdens het Ancien Régime vertegenwoordigers van de heer en dus ConServBisatief) en de Fostiers (zeer ambitieus en progressief).
In 1796 lijfde een decreet de Zuidelijke Nederlanden en het Prinsbisdom Luik in bij Frankrijk. In 1797 werd voor het eerst een nieuw berekende onroerende belasting, dit keer zonder vrijgestelden, ingevoerd en in datzelfde jaar deed men in Ronse de eerste inschrijvingen in de registers van de burgerlijke stand. De ambachten en gilden werden afgeschaft en het gewoonterecht met zijn diversiteit aan bepalingen werd opgeheven. De regeringsperiode van Napoleon luidde de eerste moderne textielindustrie te Ronse in. Het gebruik van de vliegende schietspoel deed de productie met één derde stijgen. In 1806 produceerden 450 arbeiders een jaarlijkse gemechaniseerde katoendraadproductie van 70.000 kg. Het is ook onder Napoleon dat het openbaar en cultureel leven grondig verfranst werd. De eerste openbare nutsvoorzieningen werden getroffen: in 1808 werd de eerste brandspuit aangekocht; het volgend jaar werd de eerste openbare gasverlichting geïnstalleerd. Tevens waren er plannen voor een openbaar watervoorzieningsnet: de obelisk op de Grote Markt. Die zal echter pas gerealiseerd worden onder het Hollands bewind.
De vernederlandsing van het lager onderwijs en de bestuurstaal, na de aanhechting bij Nederland in 1815, zette bij sommigen kwaad bloed. De voorstanders van Willem I waren vooral te vinden bij anticlericalen en de handelsburgerij. Op 28 september werd de W (van Willem) bovenop de obelisk door Belgische patriotten naar beneden gehaald. Omstreeks 1840 sloeg de tegenstelling patriot - orangist om in klerikaal (katholiek) en antiklerikaal (liberaal). Op nationaal niveau zou dit later leiden tot partijvorming.
Op het einde van de XIX-de eeuw werd de stad een belangrijk centrum van familiale textielbedrijven. Er werd werk gemaakt van een nieuwe specialisatie: gemengde stoffen en fantasieweefsels. De geweldige bloei in textielnijverheid en de opkomst van de fabrieken veroorzaakten een wezenlijke aangroei van de bevolking in het stadscentrum en een stijgende welvaart. Vele burgershuizen werden door vooruitstrevende ondernemers in art deco stijl opgetrokken en ingericht. Textielfabrikanten beschikten over een buitenhuis, veelal gebouwd op de heuvelruggen van de stad.
Tussen de twee wereldoorlogen in groeide Ronse uit tot het tweede textielcentrum in Vlaanderen. Nochtans waren er belemmeringen: de late mechanisatie, de nabijheid van concurrerende centra als Gent, Kortrijk, Aalst, Rijsel en Tourcoing. Een groot aantal bedrijven enbedrijfjes was kenmerkend voor onze stad. In 1959 telde men 536 bedrijven, waarvan er 359 werkten met minder dan 10 arbeiders. Men trof echter ook een aantal grote bedrijven aan. Deze kenden een langzame groei als gevolg van een financieel zwakke startpositie: er was een overwicht aan familiebedrijven.
Ronse werd door het Engelse regiment Inns of Court bevrijd op 3 september 1944. Na de oorlog herstelde de stad zich moeizaam en vanaf de jaren '50 en '60 werden de eerste tekenen van verval zichtbaar.
Door de oprichting van de Benelux (1958) en de Europese Economische Gemeenschap (1958) kwamen de Europese handelsrelaties in een nieuw daglicht. De resoluties van de Unctad-conferentie (1971) en de Internationale Verdragen van Lomé (1975), waarbij bepaalde quota textielproducten uit de ontwikkelingslanden douanevrij in de EEG mochten ingevoerd worden, zorgden voor nog verdere spanningen. Deze factoren zijn uiteraard een algemeen Belgisch, ook grotendeels Europees probleem, m.a.w. de uitdaging bleef voor elke fabrikant dezelfde. Het antwoord dat vanuit de industriële wereld gegeven werd, verschilde evenwel grondig van lokaliteit tot lokaliteit. Men moet dus ook interne factoren verantwoordelijk stellen voor de algemene economische achteruitgang in de regio Ronse. Hier komen we terug op die typische situatie: monoindustrie, familieondernemingen, kleinschaligheid, zelffinanciering, gediversifieërde productie en geografisch isolement. Alle intrinsieke kenmerken op een rijtje, regelrecht indruisend tegen de alternatieve productiestructuren die zich na 1945 opdrongen.
Het is ontegensprekelijk zo dat men in een groot aantal bedrijven rond de jaren 1950-60 een "levensmoeheid" vaststelt. De meeste ondernemingen zijn aan hun derde generatie toe. Voor het machinepark betekende dit een dringende noodzaak aan vernieuwing. Precies deze aanpassingen heeft men hier veel te laat of niet doorgevoerd. Vele kleine bedrijfjes hadden een te zwakke financiële basis om de nodige reconversie uit te voeren. Ze sloten dan ook in de jaren '60 een voor een hun deuren.
Door de taalwetgeving van 1963 wordt Ronse een Vlaamse stad met faciliteiten voor de Franstalige minderheidHierdoor viel Ronse uit de boot bij de fusies van de gemeenten.
Momenteel profileert de taalgrensstad zich als een cultuur-toeristisch centrum van waaruit men de prachtige natuur van de Vlaamse Ardennen kan ontdekken.
WEETJES
Kan het zijn dat in Ronse de bakermat ligt van één van de meest toonaangevende grootmachten op het Europese vasteland?
Kan het dat de wortels van Frankrijk, dat eeuwenlang en wereldwijd de toon aangaf op cultureel gebied, vast verankerd liggen in onze geliefde stad?
In Doornik zijn ze er dus aan voor de moeite! Tornacum of Rothnacum? Het laatste natuurlijk… want een schrijffoutje is snel gemaakt.
Als we oude kroniekschrijvers mogen geloven bestaat er geen twijfel: de grote Childerik werd omstreeks 436 in Ronse geboren! Zijn halfmythische vader Meroveus zou zijn naam geven aan een geslacht, dat zal uitgroeien tot het Franse koningshuis.
Childerik, die in 481 in Doornik (jawel) overleed liet een zoon na, Clovis I (465-511). Als koning der Salische Franken, overwon die o.a. de Alamannen, de Burgonden en de Visigothen. Daardoor werd hij de stichter van de Franse monarchie en de enige heerser van Gallië. Hij was de eerste 'barbarenkoning' die in 496 in Reims gedoopt werd door Sint-Remigius. Het Franse koningshuis zal zich in de loop der eeuwen ontpoppen tot een factor van formaat op het politieke schaakbord van de wereld, en zijn definitieve ondergang halverwege de XIX de eeuw ligt grotendeels aan de basis van de grondslagen van onze huidige Westerse maatschappij.
Enerzijds gevolgd, anderzijds weerlegd door een reeks lokale geschiedschrijvers uit de vorige twee eeuwen, blijft de Ronsese origine van Childerikzeker een stelling die niemand onbewogen laat.
************
http://www.ronse.be/
