Onze pastoor was zo’n klein manneke dat amper boven de kansel uitreikte. Zijn tijd van zielenherder te spelen was opgebruikt en hij zou voor de laatste maal zijn geliefde parochianen toespreken hoog in zijn preekstoel. “Laten we met zijn allen afscheid nemen van ons pastoorke”, zei mijn moeder en nog een laatste maal naar zijn preek luisteren.
Hij muntte altijd uit door zijn beknoptheid, maar de ganse wereld zou met één klap veranderen in een paradijs als wij hem in praktijk brachten.
Zo sprak dus mijnheer Van Gool:”beminden in Christus, een laatste woord van uw scheidende herder. Een kort woord van mij. Gij weet dat mijn geheugen niet meer is wat het was. Daarom lees ik af wat ik u ga zeggen, ik heb het nog nooit zo gemakkelijk gehad. Toen ik gisteravond van mijn Sint-Willibrorduskalender een blad scheurde, las ik op de achterzijde daarvan mijn afscheidspredikatie. Hier volgt ze. Beminden gelovigen, bij mijn heengaan wens ik u toe een grote autobus om degenen onder u, die de weg niet meer schijnen te weten naar de kerk te brengen. En een klok zò luid, dat zelfs de hardnekkigste langslapers hem moeten horen. Een wijwaterkwast met zo’n lange steel dat mijn opvolger ook de mannen kan besprenkelen, die nog buiten voor de kerkdeur staan te praten. En comfortabele kerkbanken voor de staanblijvers achterin. Gebedenboekjes voor hen die met lege handen in de kerk zitten en met hun vingers liggen te trommelen. Een kilometerlange hechtpleister om monden dicht te plakken van de kletskousen in de kerk en van de kwaadsprekers en roddelaars buiten de kerk, van de opscheppers, de vuilbekken, de vloekers en de zuiplappen. Een gevoelige weegschaal om elk woord af te wegen en een altijd brandende lantaarn om de jongelui ’s avonds en ’s nachts bij te lichten. Een zending brillen voor kortzichtige ouders en een naald en toverdraad om doorgeknapte huwelijksbanden weer te herstellen. Een partij textiel om de spaarzame kledij van sommige dames aan te vullen en een koelkast voor de heethoofden. Een zee van begrip, naastenliefde en geduld die nooit uitgeput raakt. En tenslotte wens ik voor mijzelf een röntgenapparaat waarmee ik mijn eigen fouten en zwakheden kan zien. Voor mijn onvolkomenheden en voor mijn herhaaldelijk tekortschieten, vraag ik u nederig vergiffenis. Het ga u allen goed. Zegene u de Almachtige! Amen”.
Korju, daar zaten wij toch met z’n allen te kijken. Zo’n kanunnikje dat ons eventjes op ons nummer zette. Zijn laatste woord amen, het zij zo, liet een diepe stilte en een lange zucht na en in de tempel bewoog niemand, niemand kuchte. Maar lang duurde die stilte niet. Terwijl het pastoorke,met zijn kale kruin, borstelige wenkbrauwen en aan weerszijden van zijn slapen een wolk witte haren, tastend en schuifelend het trapje van de preekstoel afdaalde begon iedereen luid te applaudisseren. Er brak een orkaan van handgeklap los, door geen orgel ter wereld te overstemmen. De gewelven en wanden en de stenen vloer van de tempel beefden onder de massale hulde aan die kleine man in zijn veel te groot kazuifel, die daar nietig gebogen voor het altaar stond en wachtte tot de storm luwde.
Vandaag Hugo staan we ook eventjes recht om voor jou te applaudisseren want met jou zijn we een goede vriend verloren. Hopelijk lees je nog ergens mee in een sybercafé hoog boven de witte wolken.
Hij muntte altijd uit door zijn beknoptheid, maar de ganse wereld zou met één klap veranderen in een paradijs als wij hem in praktijk brachten.
Zo sprak dus mijnheer Van Gool:”beminden in Christus, een laatste woord van uw scheidende herder. Een kort woord van mij. Gij weet dat mijn geheugen niet meer is wat het was. Daarom lees ik af wat ik u ga zeggen, ik heb het nog nooit zo gemakkelijk gehad. Toen ik gisteravond van mijn Sint-Willibrorduskalender een blad scheurde, las ik op de achterzijde daarvan mijn afscheidspredikatie. Hier volgt ze. Beminden gelovigen, bij mijn heengaan wens ik u toe een grote autobus om degenen onder u, die de weg niet meer schijnen te weten naar de kerk te brengen. En een klok zò luid, dat zelfs de hardnekkigste langslapers hem moeten horen. Een wijwaterkwast met zo’n lange steel dat mijn opvolger ook de mannen kan besprenkelen, die nog buiten voor de kerkdeur staan te praten. En comfortabele kerkbanken voor de staanblijvers achterin. Gebedenboekjes voor hen die met lege handen in de kerk zitten en met hun vingers liggen te trommelen. Een kilometerlange hechtpleister om monden dicht te plakken van de kletskousen in de kerk en van de kwaadsprekers en roddelaars buiten de kerk, van de opscheppers, de vuilbekken, de vloekers en de zuiplappen. Een gevoelige weegschaal om elk woord af te wegen en een altijd brandende lantaarn om de jongelui ’s avonds en ’s nachts bij te lichten. Een zending brillen voor kortzichtige ouders en een naald en toverdraad om doorgeknapte huwelijksbanden weer te herstellen. Een partij textiel om de spaarzame kledij van sommige dames aan te vullen en een koelkast voor de heethoofden. Een zee van begrip, naastenliefde en geduld die nooit uitgeput raakt. En tenslotte wens ik voor mijzelf een röntgenapparaat waarmee ik mijn eigen fouten en zwakheden kan zien. Voor mijn onvolkomenheden en voor mijn herhaaldelijk tekortschieten, vraag ik u nederig vergiffenis. Het ga u allen goed. Zegene u de Almachtige! Amen”.
Korju, daar zaten wij toch met z’n allen te kijken. Zo’n kanunnikje dat ons eventjes op ons nummer zette. Zijn laatste woord amen, het zij zo, liet een diepe stilte en een lange zucht na en in de tempel bewoog niemand, niemand kuchte. Maar lang duurde die stilte niet. Terwijl het pastoorke,met zijn kale kruin, borstelige wenkbrauwen en aan weerszijden van zijn slapen een wolk witte haren, tastend en schuifelend het trapje van de preekstoel afdaalde begon iedereen luid te applaudisseren. Er brak een orkaan van handgeklap los, door geen orgel ter wereld te overstemmen. De gewelven en wanden en de stenen vloer van de tempel beefden onder de massale hulde aan die kleine man in zijn veel te groot kazuifel, die daar nietig gebogen voor het altaar stond en wachtte tot de storm luwde.
Vandaag Hugo staan we ook eventjes recht om voor jou te applaudisseren want met jou zijn we een goede vriend verloren. Hopelijk lees je nog ergens mee in een sybercafé hoog boven de witte wolken.