9. Onderwijs
**********
Anders dan in de steden en plaatsen als Hilvarenbeek en Oirschot was aan de kerk van Tilburg geen kapittel verbonden. Daardoor ontbeerde het dorp een aan zulke kapittels meestal verbonden school, waar meer dan alleen maar primair onderwijs kon worden genoten. Bij de kerk stond wel een parochieschool, waar een koster-schoolmeester de jeugd het hoogstnoodzakelijke bijbracht. Toch kan uit allerlei bronnen het kortstondig bestaan van een Latijnse school in de periode 1560-1650 worden afgeleid, maar deze zal niet meer dan de twee eerste leerjaren hebben omvat. Later in de 17e eeuw zijn er nog twee experimenten met een dergelijke school geweest, maar die waren van Hervormde signatuur en konden daardoor uit de Katholieke bevolking niet genoeg leerlingen trekken. Voor op de universiteit voorbereidend onderricht hebben getalenteerde jongelieden daarom tot de tweede helft van de 19e eeuw hun heil buiten hun geboorteplaats moeten zoeken. Dat waren niet alleen de gerenommeerde Latijnse Scholen van 's-Hertogenbosch, Breda en ook Gemert, maar vooral ook die van Zuid-Brabantse plaatsen als Turnhout, Geel, Herentals, Hoogstraten en Diest.
De stap van daar naar de Leuvense Universiteit was dan niet groot. Van de 125 tussen 1550 en 1750 geïdentificeerde Tilburgse universitaire studenten, studeerden er 108 in de oude hoofdstad van het Hertogdom. Ook daarna nog ging die praktijk door. Een der bekendste voorbeelden is de priester Antonius van Gils, die in 1779 met ere in zijn geboorteplaats werd ingehaald, toen hij de beste of 'primus' van zijn jaar in Leuven was. Hij was dat overigens ook op de Latijnse School in Turnhout geweest. Hij werd daarna hoogleraar aan zijn universiteit en nog later stichter en eerste president van het groot-seminarie van het toen nog vicariaat 's-Hertogenbosch.
Na de definitieve scheiding tussen Nederland en België gaan de Tilburgers voornamelijk in het Noorden studeren. Daarvan is voor de 19e eeuw de bekendste Franciscus Cornelis Donders (1818-1889), die aan de Utrechtse Universiteit in de medicijnen promoveerde en daar in 1842 hoogleraar werd. In 1858 stichtte hij daar het beroemde Ooglijdersgasthuis, waar hij belangrijk fundamenteel werk voor de oogheelkunde deed. Donders had in zijn geboorteplaats op de zogenaamde Franse School gezeten, die hier wel al zeker aan het begin van 18e eeuw haar intrede heeft gedaan, maar die eigenlijk meer eind- dan voorbereidend wetenschappelijk onderwijs was.
Bovendien ontbrak lang de continuïteit in deze, door het dorpsbestuur en de door hen aangestelde gewone schoolmeesters, niet altijd even welwillend bejegende particuliere ondernemingen. Die 'franse' (kost)schoolhouders waren voor het overgrote deel van Zuid-Nederlandse origine, tot zelfs in de 19e eeuw, toen de uit Brecht afkomstige Johannes Josephus van Put (+1844) samen met zijn dochter Barbara Maria lange tijd school hield in een gebouw op de hoek van de huidige Schoolstraat en de nieuwe weg naar Breda.
De dorpsschoolmeesters onderwezen de jeugd in de 17e en 18e eeuw in een hoofdschool aan de Kerk en een viertal soms wisselende bijscholen in andere 'herdgangen' en moesten volgens het in 1655 voor de Generaliteitslanden vastgestelde 'Schoolreglement' van de hervormde religie zijn. Dat leidde tot voortdurende conflicten over het ontstaan van katholieke schooltjes, met name ook die van de 'kwezels', die vooral godsdienstonderricht gaven. De situatie werd rustiger toen in 1743 werd besloten, dat op de Tilburgse scholen de hervormde 'Heidelbergse Catechismus' niet meer aan de katholieke kinderen behoefde te worden onderwezen. Aan de schoolmeesters werden door het dorpsbestuur overigens behoorlijke kwaliteitseisen gesteld, wat echter mislukkingen en daaruit voortvloeiende conflicten niet altijd heeft kunnen verhinderen.
De op zich door de bemoeienis van de Rijksoverheid en haar schoolopzieners in onderwijskundig opzicht sterk verbeterde situatie in de 19e eeuw kwam echter niet tegemoet aan de religieuze verlangens van de Tilburgers en hun geestelijke leiders, zeker niet waar het onderwijs aan minder vermogende meisjes betrof. Het was weer pastoor Zwijsen, die op dit punt, aanvankelijk zelfs illegale, initiatieven nam. Hij wist de in Herentals geboren Hoogstratense begijn Maria Leijsen en haar twee nichtjes in 1832 te 'engageren' voor het geven van (ongediplomeerd) onderricht aan meisjes uit zijn parochie.
Dat was het begin van de door hem gestichte congregatie van zusters. Een jaar later al kon de eerste 'taalschool' voor meisjes onder gediplomeerde leiding worden geopend.
De door Zwijsen gestichte Fraterscongregatie kon in 1849 een parochiële jongensschool starten. Zowel fraters als zusters konden op den duur in eigen opleiding voorzien door het stichten van zogenaamde 'kweekscholen' voor onderwijzers.
Zelfs het Katholiek middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs in Tilburg is uit hun initiatieven voortgekomen. De fraters begonnen in 1899 een gymnasium, waaruit het Sint-Odulphuslyceum, de eerste Katholieke middelbare school voor jongens zonder internaat in Noord-Brabant, is voortgekomen. In 1926 begonnen de zusters met een gymnasium voor meisjes, het Sint-Theresialyceum. Sinds de vijftiger jaren zijn daar nog drie katholieke middelbare scholen bijgekomen. Dit alles was echter al in 1866 voorafgegaan door de vestiging van de eerste openbare Rijks Hogere Burgerschool van Nederland in het voormalige paleis van Koning Willem II. Deze school kon echter aanvankelijk, hoewel zij zeer zeker in een grote behoefte voldeed, bij de Katholieke Tilburgse notabelen nauwelijks op sympathie rekenen, zodat ze zeker tot de eeuwwisseling hun zonen nog steeds naar internaten buiten de stad bleven sturen.
Tilburg had ook volgens hen meer behoefte aan een goede beroepsopleiding voor het textielvak. Een initiatief om te komen tot een 'Weefschool' vond dan ook ondersteuning bij het stadsbestuur. Deze in 1878 begonnen opleiding groeide uit tot de inmiddels met die bedrijfstak weer verdwenen Textielschool en een meer algemeen gerichte Ambachts- en Industrieschool (1904), waaruit onder invloed van de wetgeving op het gebied van het nijverheidsonderwijs in 1930 een 'Hogere' afdeling ontstond, die met name het kader voor de textielindustrie moest gaan opleiden.
Die kadervorming ten behoeve van de Katholieke 'zuil' was ook de drijfveer achter de stichting van twee onderwijsinstituten, die de voornaamste reden hebben gevormd voor de karakterisering van Tilburg als 'onderwijsstad'.
In 1918 bracht dr. H. Moller zijn zes jaar eerder in Amsterdam gestichte en in 's-Hertogenbosch begonnen 'R.K.Leergangen' naar Tilburg over. Dit instituut was bedoeld om op te leiden voor allerlei akten ten behoeve van het voortgezet onderwijs, maar had al vlug ook afdelingen voor muziek (het latere Conservatorium), beeldende kunsten en technische vakken (de latere Academies voor Beeldende Kunst en Bouwkunst, deels ook H.T.S. en nu Hogeschool Midden-Brabant).
Een wel voorziene 'R.K. Handelshogeschool' kwam echter in 1927 niet onder de vleugels van de 'Leergangen' tot stand maar werd een aparte stichting, die overigens tot 1962, toen het nieuwe gebouw op een 'campus' aan de westrand van de stad gereed kwam, in hetzelfde gebouwencomplex onderdak vond. Hiermee had Tilburg, zeker na de erkenning van de 'Hogeschool' als zodanig, academisch onderwijs binnen haar muren gekregen. Dit werd ook in de naamgeving nog eens bezegeld doordat sinds 1986 mede als gevolg van nieuwe wetgeving op dit punt gesproken kan worden van de 'Katholieke Universiteit Brabant' en de 'Hogeschool Katholieke Leergangen'. De laatste is inmiddels na talrijke fusies opgegaan in het grotere geheel van "Fontys hogescholen".
Naast en in het kielzog van deze instituten zijn sinds de Tweede Wereldoorlog tal van andere opleidingen in Tilburg gevestigd, zodat het verschijnsel student uit de stad niet meer weg te denken is.
********
http://stadsmuseum.tilburg.nl/histb/onderwys.htm
**********
Anders dan in de steden en plaatsen als Hilvarenbeek en Oirschot was aan de kerk van Tilburg geen kapittel verbonden. Daardoor ontbeerde het dorp een aan zulke kapittels meestal verbonden school, waar meer dan alleen maar primair onderwijs kon worden genoten. Bij de kerk stond wel een parochieschool, waar een koster-schoolmeester de jeugd het hoogstnoodzakelijke bijbracht. Toch kan uit allerlei bronnen het kortstondig bestaan van een Latijnse school in de periode 1560-1650 worden afgeleid, maar deze zal niet meer dan de twee eerste leerjaren hebben omvat. Later in de 17e eeuw zijn er nog twee experimenten met een dergelijke school geweest, maar die waren van Hervormde signatuur en konden daardoor uit de Katholieke bevolking niet genoeg leerlingen trekken. Voor op de universiteit voorbereidend onderricht hebben getalenteerde jongelieden daarom tot de tweede helft van de 19e eeuw hun heil buiten hun geboorteplaats moeten zoeken. Dat waren niet alleen de gerenommeerde Latijnse Scholen van 's-Hertogenbosch, Breda en ook Gemert, maar vooral ook die van Zuid-Brabantse plaatsen als Turnhout, Geel, Herentals, Hoogstraten en Diest.
De stap van daar naar de Leuvense Universiteit was dan niet groot. Van de 125 tussen 1550 en 1750 geïdentificeerde Tilburgse universitaire studenten, studeerden er 108 in de oude hoofdstad van het Hertogdom. Ook daarna nog ging die praktijk door. Een der bekendste voorbeelden is de priester Antonius van Gils, die in 1779 met ere in zijn geboorteplaats werd ingehaald, toen hij de beste of 'primus' van zijn jaar in Leuven was. Hij was dat overigens ook op de Latijnse School in Turnhout geweest. Hij werd daarna hoogleraar aan zijn universiteit en nog later stichter en eerste president van het groot-seminarie van het toen nog vicariaat 's-Hertogenbosch.
Na de definitieve scheiding tussen Nederland en België gaan de Tilburgers voornamelijk in het Noorden studeren. Daarvan is voor de 19e eeuw de bekendste Franciscus Cornelis Donders (1818-1889), die aan de Utrechtse Universiteit in de medicijnen promoveerde en daar in 1842 hoogleraar werd. In 1858 stichtte hij daar het beroemde Ooglijdersgasthuis, waar hij belangrijk fundamenteel werk voor de oogheelkunde deed. Donders had in zijn geboorteplaats op de zogenaamde Franse School gezeten, die hier wel al zeker aan het begin van 18e eeuw haar intrede heeft gedaan, maar die eigenlijk meer eind- dan voorbereidend wetenschappelijk onderwijs was.
Bovendien ontbrak lang de continuïteit in deze, door het dorpsbestuur en de door hen aangestelde gewone schoolmeesters, niet altijd even welwillend bejegende particuliere ondernemingen. Die 'franse' (kost)schoolhouders waren voor het overgrote deel van Zuid-Nederlandse origine, tot zelfs in de 19e eeuw, toen de uit Brecht afkomstige Johannes Josephus van Put (+1844) samen met zijn dochter Barbara Maria lange tijd school hield in een gebouw op de hoek van de huidige Schoolstraat en de nieuwe weg naar Breda.
De dorpsschoolmeesters onderwezen de jeugd in de 17e en 18e eeuw in een hoofdschool aan de Kerk en een viertal soms wisselende bijscholen in andere 'herdgangen' en moesten volgens het in 1655 voor de Generaliteitslanden vastgestelde 'Schoolreglement' van de hervormde religie zijn. Dat leidde tot voortdurende conflicten over het ontstaan van katholieke schooltjes, met name ook die van de 'kwezels', die vooral godsdienstonderricht gaven. De situatie werd rustiger toen in 1743 werd besloten, dat op de Tilburgse scholen de hervormde 'Heidelbergse Catechismus' niet meer aan de katholieke kinderen behoefde te worden onderwezen. Aan de schoolmeesters werden door het dorpsbestuur overigens behoorlijke kwaliteitseisen gesteld, wat echter mislukkingen en daaruit voortvloeiende conflicten niet altijd heeft kunnen verhinderen.
De op zich door de bemoeienis van de Rijksoverheid en haar schoolopzieners in onderwijskundig opzicht sterk verbeterde situatie in de 19e eeuw kwam echter niet tegemoet aan de religieuze verlangens van de Tilburgers en hun geestelijke leiders, zeker niet waar het onderwijs aan minder vermogende meisjes betrof. Het was weer pastoor Zwijsen, die op dit punt, aanvankelijk zelfs illegale, initiatieven nam. Hij wist de in Herentals geboren Hoogstratense begijn Maria Leijsen en haar twee nichtjes in 1832 te 'engageren' voor het geven van (ongediplomeerd) onderricht aan meisjes uit zijn parochie.
Dat was het begin van de door hem gestichte congregatie van zusters. Een jaar later al kon de eerste 'taalschool' voor meisjes onder gediplomeerde leiding worden geopend.
De door Zwijsen gestichte Fraterscongregatie kon in 1849 een parochiële jongensschool starten. Zowel fraters als zusters konden op den duur in eigen opleiding voorzien door het stichten van zogenaamde 'kweekscholen' voor onderwijzers.
Zelfs het Katholiek middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs in Tilburg is uit hun initiatieven voortgekomen. De fraters begonnen in 1899 een gymnasium, waaruit het Sint-Odulphuslyceum, de eerste Katholieke middelbare school voor jongens zonder internaat in Noord-Brabant, is voortgekomen. In 1926 begonnen de zusters met een gymnasium voor meisjes, het Sint-Theresialyceum. Sinds de vijftiger jaren zijn daar nog drie katholieke middelbare scholen bijgekomen. Dit alles was echter al in 1866 voorafgegaan door de vestiging van de eerste openbare Rijks Hogere Burgerschool van Nederland in het voormalige paleis van Koning Willem II. Deze school kon echter aanvankelijk, hoewel zij zeer zeker in een grote behoefte voldeed, bij de Katholieke Tilburgse notabelen nauwelijks op sympathie rekenen, zodat ze zeker tot de eeuwwisseling hun zonen nog steeds naar internaten buiten de stad bleven sturen.
Tilburg had ook volgens hen meer behoefte aan een goede beroepsopleiding voor het textielvak. Een initiatief om te komen tot een 'Weefschool' vond dan ook ondersteuning bij het stadsbestuur. Deze in 1878 begonnen opleiding groeide uit tot de inmiddels met die bedrijfstak weer verdwenen Textielschool en een meer algemeen gerichte Ambachts- en Industrieschool (1904), waaruit onder invloed van de wetgeving op het gebied van het nijverheidsonderwijs in 1930 een 'Hogere' afdeling ontstond, die met name het kader voor de textielindustrie moest gaan opleiden.
Die kadervorming ten behoeve van de Katholieke 'zuil' was ook de drijfveer achter de stichting van twee onderwijsinstituten, die de voornaamste reden hebben gevormd voor de karakterisering van Tilburg als 'onderwijsstad'.
In 1918 bracht dr. H. Moller zijn zes jaar eerder in Amsterdam gestichte en in 's-Hertogenbosch begonnen 'R.K.Leergangen' naar Tilburg over. Dit instituut was bedoeld om op te leiden voor allerlei akten ten behoeve van het voortgezet onderwijs, maar had al vlug ook afdelingen voor muziek (het latere Conservatorium), beeldende kunsten en technische vakken (de latere Academies voor Beeldende Kunst en Bouwkunst, deels ook H.T.S. en nu Hogeschool Midden-Brabant).
Een wel voorziene 'R.K. Handelshogeschool' kwam echter in 1927 niet onder de vleugels van de 'Leergangen' tot stand maar werd een aparte stichting, die overigens tot 1962, toen het nieuwe gebouw op een 'campus' aan de westrand van de stad gereed kwam, in hetzelfde gebouwencomplex onderdak vond. Hiermee had Tilburg, zeker na de erkenning van de 'Hogeschool' als zodanig, academisch onderwijs binnen haar muren gekregen. Dit werd ook in de naamgeving nog eens bezegeld doordat sinds 1986 mede als gevolg van nieuwe wetgeving op dit punt gesproken kan worden van de 'Katholieke Universiteit Brabant' en de 'Hogeschool Katholieke Leergangen'. De laatste is inmiddels na talrijke fusies opgegaan in het grotere geheel van "Fontys hogescholen".
Naast en in het kielzog van deze instituten zijn sinds de Tweede Wereldoorlog tal van andere opleidingen in Tilburg gevestigd, zodat het verschijnsel student uit de stad niet meer weg te denken is.
********
http://stadsmuseum.tilburg.nl/histb/onderwys.htm
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
