Onlangs vond ik tussen een stapel oude papieren een column terug die ik jaren geleden schreef. Ik had het daarin over “de wereld van vandaag”: over e-mail, het internet en mobiele telefoons. Allemaal nieuwigheden waarvan we toen dachten dat ze ons leven voorgoed zouden veranderen.
Dat hebben ze ook gedaan.
Alleen bleek die moderne wereld van toen intussen alweer hopeloos ouderwets.
Ik moest erom glimlachen. Jarenlang liet ik mijn gedachten gaan over het nu, maar blijkbaar had ik niet gemerkt hoe snel dat nu zelf verleden tijd werd.
Het heden duurt maar even. Voor je het weet, vertel je erover alsof het de goeie ouwe tijd was.
Zeeën van tijd
Toen ik met pensioen ging, dacht ik dat ik voortaan zeeën van tijd zou hebben.
Dat bleek de eerste vergissing van mijn nieuwe loopbaan als gepensioneerde.
Mijn agenda liep nog altijd vol, alleen stonden er andere dingen in. Geen vergaderingen meer, maar afspraken bij de tandarts. Geen deadlines, maar kleinkinderen die op woensdagmiddag moesten worden opgehaald. Geen functioneringsgesprekken, maar gesprekken met mijn vrouw over alles wat ik “nu toch eindelijk eens kon aanpakken”.
En dus begon ik te schrijven.
Ik schreef over een wereld die almaar sneller leek te draaien, terwijl ik zelf net besloten had wat trager te gaan leven. Over computers die ons tijd zouden besparen, maar ervoor zorgden dat we op elk uur van de dag bereikbaar werden. Over smartphones die steeds slimmer werden en mensen die daardoor soms leken te vergeten hoe je gewoon met elkaar praat.
Soms schreef ik met bewondering, soms met argwaan en meestal met een kleine glimlach.
Maar al schrijvend merkte ik ook dat ik zelf veranderde.
Misschien is niet alleen de wereld sneller geworden. Misschien ben ik gewoon wat trager gaan kijken — en zie ik daardoor meer.
Ooit was een e-mail modern
Ik herinner me nog hoe bijzonder het voelde om mijn eerste e-mail te versturen. Je typte een bericht, drukte op een knop en enkele seconden later stond het aan de andere kant van de wereld.
Een wonder!
Vandaag wordt e-mail door jongeren bijna beschouwd als een communicatiemiddel uit de prehistorie. Veel te traag en veel te officieel. Zij sturen berichtjes, foto’s, filmpjes, spraakberichten en tekentjes waarvan ik de betekenis soms alleen kan achterhalen met de hulp van een kleinkind.
Een eenvoudig lachend gezichtje begrijp ik nog. Maar zodra er aubergines, vlammetjes, schedels of gevouwen handen verschijnen, begeef ik mij op gevaarlijk terrein.
Vroeger moest je kunnen lezen en schrijven om te communiceren. Vandaag moet je blijkbaar ook een diploma in hiërogliefen hebben.
De telefoon was ooit aan een draad gebonden
Toen ik jong was, stond de telefoon op een vaste plaats in huis. Wie gebeld werd, moest ernaartoe. Je kon niet telefonerend door de supermarkt wandelen, laat staan midden in een restaurant luidkeels je medische toestand bespreken.
De telefoon had zelfs een eigen meubeltje. Daarnaast lag een schriftje met belangrijke nummers. Wie iemand wilde bellen, draaide aan een schijf en wachtte geduldig tot die na elk cijfer terugkeerde.
En als de persoon die je wilde spreken niet thuis was, dan belde je later gewoon opnieuw. Er waren geen gemiste oproepen, blauwe vinkjes of berichten met de dreigende vraag:
“Heb je mijn bericht gezien?”
Vandaag dragen we onze telefoon voortdurend bij ons. Hij telt onze stappen, bewaakt onze nachtrust, toont de weg en vertelt ons hoe laat het morgen zal regenen. Hij maakt foto’s, speelt muziek en waarschuwt wanneer we te lang stilzitten.
Mijn telefoon weet intussen meer over mijn gewoontes dan mijn huisarts.
Toch wordt hij nog altijd een “telefoon” genoemd, terwijl bellen misschien wel het minst gebruikte onderdeel is geworden. Wanneer hij onverwacht rinkelt, schrikken we zelfs.
“Wie belt er nu zomaar?”
We kregen meer kanalen en minder gesprekken
Vroeger kon je iemand thuis bezoeken zonder eerst drie berichten te sturen om te vragen of het gelegen kwam. Je belde aan en hoopte dat er koffie was.
Nu maken we afspraken alsof we een internationale topconferentie voorbereiden.
“Past donderdag?”
“Donderdag lukt niet. Vrijdag misschien?”
“Vrijdag alleen tussen kwart over twee en vijf voor drie.”
Na zeven berichten besluiten we dat we elkaar binnenkort nog eens moeten spreken.
We zijn beter bereikbaar dan ooit, maar soms moeilijker te bereiken.
Dat is een vreemde tegenstelling van deze tijd. We kunnen met één druk op de knop contact leggen met iemand aan de andere kant van de wereld, maar weten niet altijd meer hoe het gaat met de buurman twee huizen verder.
Vroeger maakte de postbode nog een praatje aan de deur. In de dorpswinkel hoorde je wie ziek was, wie een kleinkind had gekregen en wie met vakantie vertrok. Natuurlijk werd daar ook geroddeld. We hoeven het verleden nu ook weer niet heiliger te maken dan het was.
Maar er was wel contact.
Geen verbinding via wifi, maar een menselijke verbinding. En die viel zelden uit.
Ook ouder worden veranderde
Toen ik jong was, leek iemand van zestig mij stokoud. Zestigers droegen in mijn verbeelding grijze jassen, spraken voortdurend over hun kwaaltjes en stonden elke avond om acht uur klaar om naar bed te gaan.
Nu ik die leeftijd al een hele tijd voorbij ben, stel ik vast dat mijn vroegere waarneming niet helemaal wetenschappelijk onderbouwd was.
Ouderen van vandaag reizen, sporten, zorgen voor kleinkinderen, volgen cursussen en beginnen soms nog aan een nieuwe relatie of een nieuw project. Ze zitten op sociale media, bestellen online en weten meestal perfect wat er in de wereld gebeurt.
Al moeten we eerlijk blijven: af en toe roepen we nog altijd een jonger familielid omdat het beeld van de televisie verdwenen is.
“Heb je al op de juiste knop gedrukt?”
Natuurlijk hebben we dat. We hebben zelfs op alle knoppen gedrukt. Dat is doorgaans ook de reden waarom niets nog werkt.
Met pensioen gaan betekende voor mij dan ook niet dat het leven stopte. Integendeel. Het betekende vooral dat ik anders naar het leven begon te kijken.
Tijdens mijn werkende jaren was ik vaak bezig met wat nog moest gebeuren. Na mijn pensioen begon ik meer aandacht te krijgen voor wat er op dit moment gebeurde. Een gesprek, een wandeling, een onverwacht bezoek of gewoon een rustige ochtend waarop niets dringend was.
Vroeger zou ik zo’n ochtend misschien tijdverlies hebben genoemd.
Vandaag noem ik ze rijkdom.
Niet alles was vroeger beter
Dat zinnetje moet ik regelmatig tegen mezelf zeggen.
Het is verleidelijk om het verleden mooier te maken dan het werkelijk was. In onze herinneringen scheen de zon vaker, waren de mensen vriendelijker en smaakten de tomaten beter. Kinderen speelden buiten, buren hielpen elkaar en niemand keek tijdens het eten naar een scherm.
Maar vroeger waren er ook minder kansen. Over bepaalde problemen werd gezwegen. Veel mensen moesten hard werken zonder ooit de mogelijkheid te krijgen om te studeren of hun dromen te volgen. Wie anders was, paste zich aan of bleef aan de kant staan.
De medische wetenschap stond minder ver. Informatie was moeilijker bereikbaar. Een verre reis was voor velen onbetaalbaar en wie familie in het buitenland had, moest soms weken op een brief wachten.
Nee, vroeger was niet alles beter.
Maar ook vandaag is niet alles vooruitgang alleen omdat het nieuw is.
Niet elke verandering is een verbetering, maar ook niet elke verandering is een bedreiging.
Misschien is wijsheid wel het vermogen om het verschil te leren zien.
De mensen van toen
Wanneer we zeggen dat we naar vroeger verlangen, bedoelen we vaak niet alleen de rust, de muziek of de gewoontes van die tijd.
We missen vooral de mensen die erbij waren.
De ouders bij wie je zomaar kon binnenlopen. De collega met wie je jarenlang dezelfde middagpauze deelde. De vriend die altijd dezelfde sterke verhalen vertelde. De buurvrouw die precies wist wanneer je jarig was en dan met een kaartje aan de deur stond.
Veel van die mensen zijn intussen verdwenen. Maar wanneer ik een oud liedje hoor, een vergeelde foto terugvind of een vertrouwde geur ruik, zijn ze plots weer even dichtbij.
Soms verlang je niet terug naar vroeger omdat alles toen beter was, maar omdat bepaalde mensen er toen nog waren.
Misschien is dat wel de diepste betekenis van toen en nu. Het gaat niet alleen over wat veranderd is, maar ook over wie onderweg met ons meeliep — en wie we vandaag moeten missen.
Wat onderweg verloren dreigt te gaan
We hebben snelheid gewonnen, maar soms geduld verloren.
We hebben honderden televisiekanalen, maar vinden niets om samen naar te kijken. We hebben honderden vrienden op sociale media, maar weten niet altijd wie we midden in de nacht zouden kunnen bellen.
We maken foto’s van elk gerecht, elke uitstap en elke zonsondergang. Toch vraag ik me af of we nog voldoende tijd nemen om werkelijk te kijken.
Vroeger hadden we twaalf of vierentwintig foto’s op een filmrolletje. Elke foto moest de moeite waard zijn. Daarna brachten we het rolletje naar de fotograaf en wachtten we enkele dagen vol spanning af.
De helft bleek onscherp en op de andere helft stond altijd wel iemand met gesloten ogen.
Maar die foto’s verdwenen niet tussen tienduizend andere beelden. Ze kwamen in een album terecht. We bekeken ze samen en vertelden telkens opnieuw hetzelfde verhaal.
Misschien was niet de foto belangrijk, maar het ritueel eromheen.
Het wachten. Het samen kijken. Het vertellen. Het lachen om die ene mislukte foto die uiteindelijk de dierbaarste van allemaal werd.
Inwoner van twee werelden
Hoe ouder ik word, hoe meer ik mij een inwoner van twee werelden voel.
Ik herinner me een tijd zonder internet, maar gebruik het elke dag. Ik ken nog telefoonnummers uit het hoofd, maar weet soms niet waar ik mijn smartphone heb gelegd. Ik mis de rust van vroeger, maar geniet van het gemak van vandaag.
Ik kan een brief op papier waarderen én blij zijn dat een bericht binnen enkele seconden aankomt. Ik mis de kleine buurtwinkel, maar ben dankbaar dat ik niet voor iedere boodschap de deur uit hoef. Ik hou van een echt gesprek, maar vind het ook wonderlijk dat ik iemand aan de andere kant van de wereld kan zien en horen.
Misschien is dat wel het voorrecht van ouder worden: je kunt vergelijken.
We hoeven niet te kiezen tussen toen en nu. We mogen het beste van beide proberen te bewaren. De mogelijkheden van vandaag, gecombineerd met de aandacht van vroeger. De snelheid van de technologie, maar ook de tijd voor een echt gesprek. De vrijheid om vooruit te gaan, zonder alles wat waardevol was achter ons te laten.
Ook vandaag wordt ooit vroeger
De moderne wereld waarover we ons vandaag verbazen, zal over enkele jaren alweer ouderwets lijken. De smartphone die nu onmisbaar is, belandt ooit naast de fax, de videoband en het telefoonboek in het museum.
Misschien lachen onze kleinkinderen later om de tijd waarin mensen nog zelf met een auto reden. Misschien vinden ze het onvoorstelbaar dat we wachtwoorden moesten onthouden. Misschien vragen ze verbaasd waarom we elke dag uren naar kleine schermpjes keken.
En misschien zeggen zij dan precies wat wij vandaag zeggen:
“Vroeger was het toch anders.”
Daarom probeer ik met wat meer mildheid naar het heden te kijken. Niet alles hoeft te blijven zoals het was, maar niet alles wat oud is, hoeft te verdwijnen.
En terwijl de wereld verder raast, blijf ik kijken, vergelijken en mij verwonderen. Met één voet in mijn herinneringen en de andere stevig in het heden.
Want misschien moeten we wat vaker beseffen dat de gewone dag waarover we vandaag mopperen, later weleens de dag kan zijn waarnaar we terugverlangen.
Kijk daarom af en toe eens goed om je heen. Naar je huis, je straat, de mensen aan tafel en de kleine gewoontes die zo vanzelfsprekend lijken.
Het is allemaal nu.
Maar voor je het weet, noemen we het toen.
En is ook vandaag de goeie ouwe tijd geworden.
Groeten,
Ben Boomer
Denker van het oude stempel, met één voet in het heden



