Er zijn zinnen die je als man na een bepaalde leeftijd beter niet meer uitspreekt. “Ik weet zeker dat we hier links moeten.” “Dat meubel past gemakkelijk door de deur.” “Reserveren is echt niet nodig.” En de gevaarlijkste van allemaal: “Dat heb jij nooit gezegd.”
Die laatste zin sprak ik vorige week uit. Mijn vrouw keek me aan zoals alleen een vrouw kan kijken die niet alleen weet dat ze gelijk heeft, maar ook precies kan reconstrueren wanneer, waar en onder welke weersomstandigheden ze het gezegd heeft.
“Dinsdagavond,” zei ze. “Om kwart over acht. Jij zat in je bruine stoel en at een koekje boven de krant. Ik zei dat de afspraak bij de tandarts donderdag om halfelf was. Jij zei: ‘Ja, ja, ik heb het gehoord.’”
Ik wist meteen dat ik verloren had. Niet omdat ik me het gesprek herinnerde, maar omdat er een koekje in haar verklaring voorkwam. Zulke details verzint een mens niet.
Toch besloot ik dat het genoeg was geweest. Al jaren wordt in ons huis beweerd dat mijn vrouw altijd gelijk heeft. Meestal door haarzelf, soms door de kinderen en één keer zelfs door de loodgieter. Iemand moest dit wetenschappelijk onderzoeken.
Ik kocht een blauw schriftje.
Op de eerste bladzijde schreef ik in grote letters:
Bewijzen dat mijn vrouw ook weleens ongelijk heeft.
Ik onderstreepte “bewijzen” tweemaal. Wetenschap vraagt nu eenmaal vastberadenheid.
De zaak van de regenjas
Mijn eerste kans kwam sneller dan verwacht. We zouden gaan wandelen. Buiten scheen de zon en mijn vrouw stond in de gang met twee regenjassen.
“Neem die van jou mee,” zei ze.
“Daar is geen wolkje aan de lucht.”
“Volgens het weerbericht kan er vanmiddag een bui vallen.”
“Kan,” zei ik. “Er kan ook een giraf door de straat lopen.”
Dat vond ik zelf een sterk argument. Ik vertrok zonder jas.
Anderhalf uur later stonden we onder het afdak van een gesloten tuincentrum terwijl het water uit mijn mouwen liep. Mijn vrouw droeg haar regenjas. Ze zei niets.
Dat is een misverstand dat mannen vaak maken. We denken dat “ik had het toch gezegd” de ergste zin is die een vrouw kan uitspreken. Dat is niet waar. Het ergste is wanneer ze die zin niet uitspreekt. Dan hoor je hem namelijk in je eigen hoofd, waar hij veel luider klinkt.
Die avond opende ik mijn blauwe schriftje. Bij “regenjas” schreef ik: ongeldige proef wegens uitzonderlijke weersomstandigheden.
Wetenschappers mogen zich niet door één tegenslag laten ontmoedigen.
De afrit die niet bestond
Enkele dagen later reden we naar vrienden. Ik kende de weg. Dat zei ik minstens drie keer, vooral nadat mijn vrouw voorstelde de gps aan te zetten.
“We zijn hier vroeger nog geweest,” zei ik.
“Zeven jaar geleden.”
“Een goed richtingsgevoel verjaart niet.”
Na twintig minuten kwamen we op een industrieterrein terecht. Aan de linkerkant stond een groothandel in heftrucks, rechts lagen driehonderd betonnen rioolbuizen. Onze vrienden woonden, voor zover ik wist, niet in een rioolbuis.
“Je had daarnet rechts gemoeten,” zei mijn vrouw.
“Waarom zei je dat dan niet?”
Ze keek me aan.
“Dat heb ik gezegd.”
Daar was hij weer. De zin die elk gesprek in ons huis verandert in een archeologische opgraving. Zij graaft feiten op, ik sta erbij met een borsteltje en hoop dat niemand mijn eerdere uitspraken terugvindt.
“Je zei alleen dat je dacht dat we rechts moesten.”
“Nee, ik zei: ‘Je moet hier rechts.’”
“Er zat twijfel in je stem.”
“Dat kwam doordat jij op dat moment zei dat je de weg kende.”
In het schriftje noteerde ik: route niet representatief wegens gebrekkige bewegwijzering.
Het geheugen van een huwelijk
Het merkwaardige is dat mijn vrouw dingen onthoudt die bij mij spoorloos verdwijnen. Zij weet wie ons dat glazen schaaltje gaf dat al sinds 1998 achter in de kast staat. Ze weet op welke bruiloft ik koffie morste op mijn das. Ze weet dat ik in 2011 beloofde het losse handvat van de keukenkast “dit weekend” te herstellen.
Ik weet dan weer perfect wie in 1974 de finale van het wereldkampioenschap voetbal speelde. Alleen helpt dat zelden tijdens een discussie over een afspraak bij de tandarts.
Vrouwen hebben misschien geen beter geheugen. Ze bewaren gewoon andere informatie. Waar een man ruimte vrijhoudt voor voetbaluitslagen, automerken en de plaats waar hij in 1986 uitzonderlijk goedkoop heeft getankt, archiveert een vrouw volledige gesprekken, inclusief intonatie en bewijsmateriaal.
Mijn vrouw is geen persoon. Zij is een familiearchief met leesrechten.
Als ik zeg: “Dat hebben we nooit afgesproken”, verschijnt er in haar blik een onzichtbare zoekbalk. Even later komt het resultaat.
“Jawel. Vorige zondag, na het nieuws. Jij droeg die pantoffels die je eigenlijk zou weggooien.”
En dan weet ik: de pantoffels maken verder verzet zinloos.
Het meubel dat zeker paste
Mijn grote doorbraak leek te komen toen we een klein kastje kochten. Mijn vrouw vond dat we eerst de deuropening moesten meten.
“Dat past,” zei ik.
“Zullen we het toch even nameten?”
“Ik kan dat zo zien.”
Er bestaan mannen die met het blote oog de spanwijdte van een brug kunnen schatten, de inhoud van een verhuiswagen berekenen en bepalen of een kast door een deur past. Dat hun schattingen zelden kloppen, doet niets af aan hun zelfvertrouwen.
Het kastje paste niet.
Tenminste, niet horizontaal. Verticaal ook niet. Schuin evenmin. Na drie kwartier duwen, draaien en een woordenwisseling waarbij de fabrikant op afstand ernstig werd beledigd, moesten de poten eraf.
Mijn vrouw hield de schroeven vast.
“Als we eerst gemeten hadden...” begon ze.
“Het staat toch binnen?” zei ik.
Dat is een belangrijke mannelijke techniek. Wanneer het oorspronkelijke doel niet wordt gehaald, pas je achteraf het doel aan. Het kastje moest niet zonder problemen naar binnen. Het moest gewoon uiteindelijk binnen staan.
In mijn schriftje schreef ik: resultaat positief: kast bevindt zich in woning.
Het restaurant zonder tafel
Voor onze trouwdag stelde mijn vrouw voor een tafeltje te reserveren in een populair restaurant.
“Op een woensdag?” zei ik. “Daar is plaats genoeg.”
“Het is vakantietijd.”
“Mensen gaan in de vakantie op reis.”
“Of op restaurant.”
We kwamen om halfzeven aan. Het restaurant zat vol. De vriendelijke jongeman aan de deur vroeg of we gereserveerd hadden.
Mijn vrouw keek naar mij. Ik keek naar een plant.
“Nee,” zei zij rustig. “Mijn man dacht dat er plaats genoeg zou zijn.”
De jongeman knikte met het medeleven van iemand die thuis vermoedelijk ook een vader heeft.
We konden om kwart voor negen terugkomen. Onze feestelijke maaltijd bestond voorlopig uit twee koffie en een gedeeld stuk taart in een benzinestation. Daar zat nog één ander koppel. De man keek naar zijn vrouw en zei: “Zie je wel dat we hier iets konden eten.”
Ik voelde onmiddellijk verwantschap.
In mijn schriftje noteerde ik niets. Sommige onderzoeksresultaten zijn te pijnlijk voor publicatie.
De afstandsbediening
Toen kwam de avond die alles zou veranderen. De afstandsbediening was verdwenen.
“Waar heb jij ze gelegd?” vroeg ik.
“Ik heb ze niet gebruikt.”
“Ze ligt anders nooit zomaar weg.”
“Kijk eens naast je.”
Ik keek. Niets.
“Onder de krant.”
Ik tilde de krant op. Niets.
“Tussen de kussens van je stoel.”
Ik stak mijn hand ertussen en vond een muntstuk, twee paperclips en een pinda waarvan niemand de ouderdom wilde bepalen. Geen afstandsbediening.
Eindelijk had ze ongelijk.
Ik voelde de opwinding van een ontdekkingsreiziger die na jaren zoeken een nieuw continent ziet. Ik liep naar de kast, haalde mijn blauwe schriftje en sloeg het open.
“Wat is dat?” vroeg mijn vrouw.
“Niets.”
“Dat blauwe schriftje?”
“Gewoon wat notities.”
“Dat schriftje waarin je bijhoudt wanneer ik ongelijk heb?”
Ik verstijfde.
“Hoe weet jij dat?”
“Omdat je het vorige week onder je truien hebt verstopt.”
Ze liep naar mijn stoel, stak haar hand tussen het kussen en de armleuning en haalde de afstandsbediening tevoorschijn.
“Je zocht aan de verkeerde kant,” zei ze.
Daarna nam ze het schriftje uit mijn handen en begon te lezen.
Bij de regenjas glimlachte ze. Bij het industrieterrein trok ze één wenkbrauw op. Bij het kastje schudde ze langzaam haar hoofd.
“Je onderzoek is niet erg objectief,” zei ze.
“Elke onderzoeker interpreteert zijn resultaten.”
“Jij noemt fouten gewoon uitzonderlijke omstandigheden.”
“Dat gebeurt in de wetenschap vaker.”
Wil je gelijk of wil je gelukkig zijn?
Er wordt weleens gezegd dat je in een huwelijk moet kiezen: wil je gelijk hebben of wil je gelukkig zijn? Dat klinkt verstandig, maar meestal wordt die vraag gesteld door degene die ongelijk dreigt te krijgen.
Na vele jaren samen weet ik dat discussies zelden alleen over feiten gaan. Het gaat niet werkelijk over een regenjas, een afrit of een restaurant. Het gaat over gehoord worden. Over het gevoel dat je partner je advies serieus neemt. En soms ook gewoon over het kleine genoegen om te mogen zeggen: “Zie je nu wel?”
Mijn vrouw wil trouwens niet altijd gelijk krijgen. Soms heeft ze liever dat ik zelf ontdek dat ze gelijk had. Dat duurt wat langer, maar het resultaat blijft beter hangen.
En eerlijk is eerlijk: ik heb ook mijn domeinen. Ik weet hoe de televisie opnieuw moet worden ingesteld. Ik hoor wanneer er iets niet klopt aan de motor. Ik kan een fles openen waarvoor zij geen kracht meer in haar handen heeft. En als er midden in de nacht een onbekend geluid beneden klinkt, mag ik als eerste gaan kijken.
“Jij bent daar beter in,” zegt ze dan.
Ook dat is een vorm van gelijk krijgen, vermoed ik.
Een indrukwekkend archief
Die avond legde mijn vrouw het blauwe schriftje op tafel.
“Ga je ermee door?” vroeg ze.
Ik bladerde door de vrijwel lege pagina’s. Mijn wetenschappelijk onderzoek had voorlopig vooral bewezen dat ik zonder regenjas in de regen kon staan, een industrieterrein kon vinden zonder ernaar te zoeken en een kastje kon demonteren dat volgens mij perfect door de deur paste.
“Misschien verander ik het onderwerp,” zei ik.
“Waarin?”
“Dingen waarin mijn vrouw gelijk had.”
“Dan heb je een dikker schrift nodig.”
Ze lachte. Ik ook.
Dat is misschien het geheim van lang samenleven. Niet dat één van de twee altijd gelijk heeft, maar dat je na verloop van tijd weet wanneer het verstandig is te luisteren, wanneer je beter kunt zwijgen en wanneer je samen kunt lachen om dezelfde oude fouten.
Mijn vrouw heeft dus niet altijd gelijk. Dat zou statistisch haast onmogelijk zijn. Maar ze kent mij al zo lang dat ze vaak eerder dan ikzelf weet hoe iets zal aflopen. Ze herkent mijn koppigheid, mijn optimistische schattingen en mijn rotsvaste vertrouwen in wegen die ik niet ken.
Wat ik jarenlang voor betweterigheid hield, blijkt soms gewoon ervaring met mij te zijn.
Het blauwe schriftje ligt nog altijd in de kast. Op de eerste bladzijde staat nog steeds: “Bewijzen dat mijn vrouw ook weleens ongelijk heeft.” Daaronder heeft zij met haar eigen pen één zin toegevoegd:
Veel succes. En neem voor alle zekerheid een regenjas mee.
Na al die jaren heeft mijn vrouw niet altijd gelijk. Maar ze beschikt wel over een indrukwekkend archief.
En vervelend genoeg kan ze alles terugvinden.



