Leve de emancipatie!
Vandaag consulteerde ik mijn huisarts, een bekwame elegante dame, die haar patiënten met veel takt en goede zorgen behandelt, en voor wie ik veel bewondering en respect koester, zoals trouwens ook voor mijn oogarts en tandarts, beiden dames.
Naar aanleiding hiervan wil ik enkele beschouwingen wijden aan het decennialange emancipatieproces van de vrouw in de voorbije eeuw.
Vandaag zijn we gelukkig goed vertrouwd met de bediening door vriendelijke dames in alle sectoren van onze samenleving. We betreuren dat dit in sommige culturen nog niet zo is. Hoewel door zelfbediening in vele handelszaken de afstand met de klant enigszins wordt vergroot.
De maatschappij kan zich verheugen in tal van hoog opgeleide dames die in alle situaties flink “hun mannetje weten te staan”. Hats off dus voor al die dames, die hun bekwaamheid demonstreren in de geneeskunde, in de politiek, in de handel, in de kunsten, in de sport …
We hebben het ooit wel anders geweten. Er is een lange weg afgelegd van “toen moeder het slechts aan de haard” voor het zeggen had. Een beperking die destijds sterk onder controle stond van de geestelijke overheid. Dames waren volgens mijnheer pastoor voorbestemd om kinderen te baren en voor het gezin te zorgen. Verdere ambities hoefden ze niet te koesteren, tenzij in de verpleegkunde of in de kleuteroppas. Het was hun taak te waken over het fundament van het christelijk geloof, nl. het gezin.
Ja natuurlijk, er was een hoger alternatief, de kloosterroeping die aan brave meisjes vaak zomaar werd opgedrongen door al te ijverig missionerende parochiepriesters, zonder dat de vrome dames enig weerwerk konden bieden.
We spreken hier over feiten in de fifties van de twintigste eeuw. De heropleving van de economie en de culturele vooruitgang na de pijnlijke oorlogsjaren tekende voor onze mensen een bredere hoopvolle horizon van mogelijkheden.
In bepaalde regio’s werd de maatschappijpoort naar een moderne samenleving pas laat opengezet en bleef onze agrarische bevolking strak in het katholieke gareel lopen. Dat betekende ook vele gemiste kansen voor de nieuwe generatie, inzonderheid voor de vertegenwoordiging van de vrouw in de hogere echelons van de maatschappij.
Soms ging die poort slechts aarzelend open onder druk van moedige pioniersvrouwen, die hun stem durfden laten horen. Ook in ons landje rees de ontvoogdingsdageraad pas laat in de sixties van de 20ste eeuw.
Als was het gisteren, zie ik mijn moeder op haar paasbest klaar staan om vader voor het eerst te vergezellen naar te stembus. We zijn dan juni 1948. Het was voor haar een mijlpaal, hoewel ze zich waarschijnlijk niet ten volle bewust was van de stap die ze mocht zetten in het ontvoogdingsproces. Ze verlegde onwetend een grote steen in de rivier van de ontvoogding.
Lange tijd was onze samenleving een mannenbastion en konden onze zelfgenoegzame mannen bepalen wat de vrouw kon en mocht doen in het leven. Het pakket rechten en vrijheden, waarover de vrouw mocht beschikken was klein. Vooral de geestelijkheid was lang doordrenkt van het patriarchale denkkader van de bijbel.
Dat meisjes in de fabriek gingen werken om het karige gezinsinkomen van vader te ondersteunen, baarde mijnheer pastoor grote zorgen. Daar heerste immers zedenbederf met de verzwakking van het geloof tot gevolg. Het pastoraal gezag was traditioneel altijd zeer groot geweest. En de aftakeling van dat gezag bezorgde de geestelijkheid frustraties.
Het was nog steeds zo dat een vrouw in het katholiek onderwijs tot ontslag werd gedwongen bij haar huwelijk. Vanaf de preekstoel lanceerde de pastoor in klare taal hoe de vrouw zich moest gedragen, in welke kledij ze naar de mis moest komen, dat de vrouwen in de kerk gescheiden van de mannen moesten plaats nemen. Een al te lange verkeringsperiode was niet gewenst. Vrouwen moesten tijdig trouwen. Eenmaal gehuwd werd van hen verwacht dat ze elk jaar opnieuw een kind baarden en nadien een symbolisch zuiveringsritueel ondergingen. En big brother was watching. De pastoor hield de geboorteaangroei stevig in de gaten. Dat betekende natuurlijk een sterke rem op de deelname van vrouwen aan andere sectoren van het openbaar leven.
Een vrouw ging niet zomaar een café binnen. Gemengd toneel tot verheffing van onze cultuur was zedenbederf. Deelname aan een dansfeest was des duivels, en dus een daad van zedenbederf. Schoorvoetend ging mijn zus met een vriendin naar het dorpsbal. Ze was 21 jaar geworden. Enkele dagen later leverde haar dat een reprimande op van de dorpspastoor. We zijn dan halfweg de jaren zestig.
Vrouwen konden lang geen openbare functies bekleden. Tor 1956 bepaalde een wet dat de vrouw vanaf haar huwelijk “handelsonbekwaam” was: ze kon geen eigen bankrekening hebben, kon niet in overheidsdienst werken, had geen voogdijrecht over de kinderen…
Pas in het jaar 1965 kreeg België voor het eerst een vrouwelijke minister in de regering..
Merkwaardig historisch feit : in de oertijd werkten mannen en vrouwen, als jagers-verzamelaars, noodgedwongen samen zonder geprivilegieerd onderscheid. Onderdrukking en discriminatie van de vrouw heeft dus niet altijd bestaan, maar is een uitwas van de beschaving.
Feminisme heeft een heel belangrijk steentje bijgedragen aan de ontvoogding van de vrouw. Ere wie ere toekomt aan de ”dolle mina’s” van destijds.
Toch is onze maatschappij nog niet helemaal in evenwicht. Er is nog werk aan de winkel. Het is niet onze bedoeling om andere culturen met de vinger te wijzen. We moeten het gelijkheidsprincipe van man en vrouw aanvaarden en bevorderen als een natuurlijk en doodgewoon gegeven. T.V.



