Wat te doen wanneer je ineens met een monster van een hond geconfronteerd wordt?
Argeloos naderde ik die mooie, grote Haspengouwse hoeve. De openstaande poort nodigde me uit om aan mijn bewondering toe te geven en een nieuwsgierige blik te werpen op de ruime rustige binnenkoer. Tot voor een halve eeuw nog een locatie van grote bedrijvigheid. Nu een beetje ingeslapen.
Ik zette enkele overmoedige passen in die richting, maar mijn roekeloosheid werd stante pede in de kiem gesmoord. Manhaftig koel zat hij daar, zijn ijzige blik doorboorde mij. Cerberus, de hellehond. Ik stond plots als bevroren voor een onneembare hindernis. Hondstrouw zat hij daar zijn hondenplicht te vervullen. Geen stap verder, jongen of ik heb je te pakken! Vergeet de eigenaar maar, hier ben ik de baas.
Op dat ogenblik overwoog ik al de eerste hulp bij ongevallen toe te passen. Het kon hem blijkbaar geen barst schelen wat ik dacht. Roerloos bleef hij me aanstaren. Wat kon ik ondernemen om ongehavend mijn wandeling voort te zetten? Weglopen was helemaal geen optie. Dus alleen kalmte kon me op dat moment redden. En daar probeerde ik ook ruimschoots gebruik van te maken. Hoewel, een pasklare gebruiksaanwijzing had ik niet. Op een zelfhulpgroep kon ik al evenmin een beroep doen. Laat het me dan maar proberen” by trial and error,” dacht ik. Hij bleef me nog steeds roerloos als een versteende sfinx monsteren.
Van hondenliefhebbers was ik wel op de hoogte, maar van hondenfluisteraars had ik nooit eerder gehoord. Maar blijkbaar bezat ik wel een soortgelijke gave, die ik hier mocht uittesten. En met succes, zo bleek achteraf. Ik trachtte het gevaar “vredelievend” te bezweren met zachte “hondslieve” woorden.
Ah, mijn brave vriend! Kom maar eens hier! Er kwam zowaar beweging in de sfinx. Met enige gestrekte viriliteit kroop hij overeind en zette aarzelend enkele pasjes in mijn richting. Intussen had ik me zelf al wat vernederd en zakte ik door mijn knieën om op het vereiste “hondenniveau” te komen.
Was het hypnose van mijn kant of goodwill van zijn kant? Dat was op dat ogenblik moeilijk in te schatten. Met luie argwaan stond hij pal voor me. Even dat vreemde heerschap checken, dacht hij, wat is die met mij van plan? Op dat ogenblik voelde ik me zo ongeveer lijk een indringer in de tent van een indianenopperhoofd die me gelijk een vredespijp aanreikte. Ik stak mijn sfinx een hand toe en bedelde slijmend om een “pootje”. Dat gebaar brak het ijs, en sloeg plots een brug van vertrouwen tussen mij en die geblokte bordeauxdog, van wie ik later vernam dat hij Georges heette. Toch was hij nog niet overtuigd om zijn pootje zomaar aan te reiken. Dan nog maar wat zoete woordjes gewisseld over hoe braaf en hoe sterk hij wel was. En ja, hoor! Hij naderde, snuffelde even, ging zitten, en hief zijn rechtervoorpoot. Ik beloonde hem met alle hemelse lof die me op dat moment ter beschikking stond. Dan nam ik mijn phone en vroeg hem voor mij te poseren voor het gebruikelijke staatsiekiekje.
Geen probleem. Hij had duidelijk fotogenieke aanleg. Na iedere foto bedankte ik hem met een flinke aai over zijn kop. Tenslotte vleide hij zich, in totale overgave, voor mijn voeten neer, wachtend op een stevige knuffel om onze vriendschap te bezegelen.
Op mijn volgende wandeling langs de hoeve kwam Georges me al kwispelstaartend tegemoet, hunkerend naar een nieuwe knuffel. En die kreeg hij. Het werd vriendschap voor het leven. Dag Georges, het ga je goed!
Mulche canem, cave hominem!



