Vivine Burssens heeft deze week te kampen met heimwee naar de toestellen van weleer...
Zowat elke dag sta ik in de keuken om het dagelijks middagmaal te bereiden.
Doorgaans gebruik ik dan meerdere toestellen tegelijk: de kookplaten om aardappelen en groenten gaar te maken, de oven om een stukje gebraad te bakken, de magnetron om de soep op te warmen…
Er gebeuren inderdaad veel dingen tegelijk, maar toch is het niet die vorm van multitasking die me stress bezorgt, wel de indicatiegeluiden die aan al die apparaten gekoppeld zijn. Het keukengebeuren speelt zich af tussen displays en schermpjes en gebeurt met een lichte toets van een vinger op gevoelige touchscreens.
Telkens de kooktijd van de gerechten ten einde is, krijg ik een signaal. De oven begint te piepen, de magnetron geeft meerdere seintjes, de kookplaat waarschuwt me luidkeels en als ik tegelijk de vaatwas gebruik, komt daar nog eens een irritant zoemend geluid bovenop.
Bovendien heeft elk toestel nog een waarschuwingslampje of een flikkerlichtje en geeft iedere display ook nog de juiste tijd aan.
De moderne keuken heeft meer weg van een controlekamer van de Nasa dan van een gezellige plek om tijd te spenderen met je gezin.
Vaak bekruipt me dan ook een gevoel van heimwee naar de tijd dat ik als kind met mijn ouders bij mijn grootouders woonde. In gedachten bevind ik me weer in hun keuken.
De spil van de keuken was de Leuvense stoof, een multifunctioneel gebruiksvoorwerp dat werkelijk in bijna alle huishoudelijke taken voorzag.
Op de eerste plaats verschafte het een deugddoende warmte tijdens ijskoude winters, maar de plattebuiskachel, zoals ze soms ook werd genoemd, diende ook als fornuis. Dat kon, doordat de warmte eerst door de kast werd gevoerd en pas nadien door de schoorsteen. In de kachel bevonden zich rookgaten die konden worden verkleind. De Mechelse stoof, of Brabantse kachel, twee andere benamingen voor dit praktische object, bestond uit een vierkant onderstel en een aslade.
Aan de zijkant waren twee ijzeren stangen bevestigd. Daaraan werden handdoeken gehangen om te drogen en ook de stoofhaak.
Iedere dag moest de stoof worden aangemaakt. Eerst werd krantenpapier in brand gestoken, daarna werden kleine blokjes aanmaakhout gebruikt. Als het vuur goed was aangewakkerd, volgden de kolen.
Met de pook werd alles goed aangestookt.
Hoe vaak hing ik als kind niet rond mijn grootmoeder als zij het eten bereidde: dampende soep, spek met eieren, aardappelen met een flinke schep zout, want toen wist men nog niet dat zout een grote boosdoener was.
De stoof diende ook om water te warmen voor de afwas, voor de was of zelfs voor een warmwaterkruik .
En als er moest gestreken worden, werden de gietijzeren ijzers erop opgewarmd.
Als ik moegespeeld en rillend van kou van buiten kwam, werden mijn pantoffels even in de oven gelegd om ze lekker warm te krijgen. Het gebeurde meer dan eens dat ze werden vergeten en dat een brandlucht aangaf dat de pantoffels verbrand waren.
Toch gaat er niets boven de avonden waarop iedereen rond de Leuvense stoof was geschaard en er volop verhalen werden verteld bij het rustgevende tikken van breinaalden.
Maar plots word ik bruusk uit mijn dagdroom gehaald door het doordringend fluitsignaal van de magnetron…



