Viviane Burssens neemt deze week een nostalgische muzikale duik...
Het zal bij velen als heiligschennis in de oren klinken, maar een muziekliefhebber ben ik niet.
Wat voor de meesten het summum is van genot, kan mij niet bekoren. Wie van klassieke muziek houdt, zal mij wellicht beschouwen als een cultuurbarbaar. Helaas kunnen de symfonieën van Bach, noch de pianoconcerten van Mozart mij in hogere sferen brengen. Mijn kennis reikt niet verder dan Für Elise van Beethoven en Ein kleine Nachtmuzik van Mozart. En daar houdt het zo ongeveer op.
De moderne muziekstijlen zijn nog minder aan mij besteed, hiphop, funk, punk, rock-’n-roll, pop, heavy metal… . Het gaat mijn petje te boven hoe iemand zich daarmee kan amuseren. Al die liedjes vallen bij mij onder de noemer ‘lawaai’.
Geef mij maar de stilte, dat kostbare gegeven dat in de huidige tijd amper te vinden is. Hoe zalig kan het zijn zich terug te trekken in een bubbel zonder geluid, alleen met je gedachten genieten van het ontbreken van lawaai.
Het is nochtans ooit anders geweest.
Als tiener en adolescent kon ik me uren terugtrekken op mijn kamer met mijn (toen nog!!!) bandopnemer en liet ik de liedjes van de toenmalige vedetten grijs draaien.
Of ik ging op stap met een hele bende naar dancings en liet mij gaan op de hits van toen.
Om maar te zeggen dat het zelden gebeurt, dat ik de vertrouwdheid van onze woonkamer verlaat en op pad ga om naar één of andere zanger te gaan luisteren.
Maar toen ik de aankondiging onder ogen kreeg van het Kleinkunstcollectief dat zou optreden in het cultureel centrum, maakte mijn hart toch een sprongetje.
Stond daar niet zwart op wit, dat die gasten luisterliedjes ten gehore zouden brengen van vedetten uit mijn jeugd!
Hun bekende namen deden sterretjes twinkelen in mijn ogen: Boudewijn De groot, Miel Cools, Louis Neefs, Kris De Bruyne…
Deze kans om me onder te dompelen in pure nostalgie kon ik niet laten passeren en dus bestelde ik twee tickets voor mij en mijn wederhelft.
Natuurlijk was de zaal gevuld met enkel senioren, want welke twintigjarige wil die opamuziek aanhoren?
We namen plaats in de rode, pluchen zetels en zagen hoe de zaal stilaan vol liep.
Ik hoorde iemand zeggen: ‘Ik zal mijn zakdoek maar nemen, want wellicht houd ik het niet droog’ en ik vroeg me af hoe ik zou reageren.
De vier leden van het collectief bleken uitstekende muzikanten te zijn en heel goede zangers. Moeiteloos brachten ze bekende luisterliedjes uit de jaren zeventig en spoorden het publiek aan uit volle borst mee te zingen.
En ik, als niet in muziek geïnteresseerde, zong mee uit volle borst.
Hun optreden fungeerde als een teletijdmachine die me in een vingerknip naar mijn jeugd katapulteerde.
Mijn hart werd vervuld van pure nostalgie en de warme herinneringen kwamen moeiteloos naar boven.
Wie kan er onbewogen luisteren naar ‘De eerste sneeuw’ van Jef Vanuytsel?
Wie wordt van binnen niet warm van ‘Benjamin’ van Louis Neefs of wie herkent de gruwelijke realiteit niet in ‘Laat ons een boom’.
Welke senior brult niet mee met het refrein van Het land van ‘Maas en Waal’ en wie wordt niet week van ‘Mijn Vlaanderen’ van Jacques Brel?
Een zakdoek had ik niet nodig, maar af en toe moest ik toch een krop wegslikken, want wat we daar hoorden, en die tijd die bij die liedjes hoorde was onherroepelijk voorbij.
Fijn dat vier jonge gasten onze muziek deden herleven.
Gelukkig horen wij, senioren, tot de generatie die de goede (muziek)tijd hebben mogen meemaken en dat is balsem voor het hart.



