De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel! (Vondel)
En Joost mocht het zeker weten …
De gevleugelde woorden van Joost Van Den Vondel hebben een blijvende indruk op mij nagelaten : “De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel!”
In mijn buurt kon ik als kind goed de hoofdrolspelers onderscheiden van de bijrollen en de figuranten. Maar de spelers waren er. Ze speelden dagelijks hun rol, al dan niet toegejuicht door publiek. Een regisseur hadden ze niet nodig. Ieder hanteerde daartoe zijn eigen vindingrijkheid en talenten.
Bewonderenswaardige figuren waren het. De natuur bepaalde waar ze moesten versnellen of vertragen. Ze hadden geen keuze. Het was knokken om in leven te blijven.
Ze hingen vast aan het banale ritme van elke dag. Het ritme van hard labeur, van zorgen en bezorgdheid, van piekeren en voorkomen.
Egidius, waer bestu bleven?
Je goedmoedige glimlach en je profetische taal werkte aanstekelijk. Je droeg met enige fierheid ieders sympathie als zovele eretekens. Zon, wind, regen en vrieskou, ze konden je niet deren. Je kracht was spreekwoordelijk. Een last van vijftig kilo graan torste je met gemak de steile trap op naar de graanzolder. Een ezel was je trouwe bondgenoot op alle fronten te velde. Je noemde het beestje Manus. Iedere passant kon een voorbeeld nemen aan je gecultiveerde groentetuin.
Egidius, we hadden de eer en het genoegen de viering van je honderdste verjaardag voor te bereiden. Maar je krachten lieten het afweten in het zicht van de meet. Je werd dus net geen honderd. Wat er met Manus gebeurde, hebben we nooit geweten.
Ook Cis keek naar je op. Hij was je naaste buur. Hij woonde in een lemen hoevetje met daarlangs een indrukwekkende kastanjeboom die een grote kruislievenheer overkoepelde. Daar zat Cis geregeld naar te staren om nieuwe energie te putten.
Cis werd vroegtijdig weduwnaar, en voedde zijn vijf zonen en drie dochters zelf op in beroerde tijden. Zijn oudste zoon trok gedwongen ten oorlog en keerde nooit meer terug. Zijn naam staat in het dorpsmonument gebeiteld.
Maar Cis, hij ploegde voort als keuterboer, met twee varkens, wat kippen en een koe. Hij kon lekkere groentesoep maken, waarvan hij nooit het recept prijs gaf aan buurvrouw Cornelia. Dat laatste oorlogsjaar was te veel aan zijn beproevingen. Hij stierf in alle stilte met alle acht zijn kinderen rond het sterfbed.
Cornelia werd negentig. Een merkwaardige prestatie voor een behoeftige dame, die een sober teruggetrokken leven leidde. Soms opende het poortje en kwam er een grijzig kopje piepen in de kier. Als weduwe verloor ze haar enige zoon in krijgsgevangenschap. Cornelia werd door de buurt ten grave gedragen op bevrijdingsdag. De intocht van de geallieerde tanks lokte de rouwenden massaal weg uit de kerk. Alleen de pastoor bleef achter bij het lijk. Het “Dies irae, dies illa” echode door de lege kerk en kreeg onverwacht een extra symbolische betekenis. Cornelia zal het niet erg gevonden hebben, dat het dorp zijn bevrijding vierde zonder haar.
Ook Jefke vierde mee en gorgelde wat onbegrijpbare neusklanken. Sinds zijn geboorte was Jefke lichamelijk en mentaal anders valide. Maar altijd goed geluimd. Een grappig ventje dat geen vlieg kwaad kon doen. Verder dan zijn buurt kwam hij niet. Hij matigde zich vaak de rol van opzichter aan bij bijzondere gebeurtenissen. Men vroeg hem dan plagend : “En Jef, wat denk jij ervan?” Waarop Jefke steevast repliceerde met een hahaha-gemonkel. Op een gure winterdag riep de doodsklok Jefke naar het graf. Weer een speler minder op het schouwtoneel.
Buurvrouw Theresia schudde gelaten het hoofd: “Een braaf manneke was het!” Theresia was al een tijdje dement, en zat aan haar zetel gekluisterd tot grote zorg van haar dochter. Ze schreeuwde soms met schrille stem heel de buurt bijeen als ze zich eenzaam voelde. We kregen er moeilijk hoogte van of zij in dit aardse leven ooit een hoofdrol speelde. Misschien was die voor haar weggelegd in het hiernamaals.
Ze kwamen, ze gingen, en verwijlden een korte poos op ’s werelds toneel. Wie achterbleef, kon hen uitgeleide doen en hopen dat zijn of haar rol nog lang niet uitgespeeld was. En hoop doet nog steeds leven.



