Op een druilerige zondagmiddag trok ik een lade open. Tussen de souvenirs van mijn ouders glinstering een klein, schildvormig reversspeldje. Een 'propagandatrofee' uit de tijd dat mannen nog met trots hun lidmaatschap op de borst droegen. Het was het kleinood van de “Bond van het Heilig Hart”.
Door Thieu Vanhees
Ik herinner me mijn vader op die fameuze eerste zaterdag van de maand. Als landbouwer stopte hij vroeger met werken, nam een bad en kleedde zich zorgvuldig op. Het was een ceremonieel gebeuren. Vers gewassen en geschoren trok hij naar de parochiekerk om zijn “brave zonden” te biechten bij een ingehuurde pater uit de stad.
De ijveraar op ronde
Vader was fier op zijn functie als 'ijveraar'. Het was zijn zoveelste onbetaalde job in de parochie. Hij ging de lidkaarten aan huis bestellen; groene kaarten met twaalf vakjes. Na elke zondagse bondsmis zette de pastoor een stempeltje. Zo hield de geestelijkheid stiekem controle op de devotie van de mannelijke parochianen.
Samen met een honderdtal andere getrouwe leden trok hij op zondagochtend naar de vroege mis van zes uur. Het was een traditie die niet in vraag werd gesteld. De brave agrariërs twijfelden niet aan het gezag van de pastoor. Als tiener werd ik al vroeg ingelijfd en vergezelde ik mijn vader, die een baken was in de puberstormen van mijn leven.
Donderpreken en bloederige liederen
Indrukwekkend zwaar, maar ook een tikkeltje vals, zette het slaperige mannenkoor in: “De rode roos van Jezus hartewonde…” Halverwege de mis besteeg een stoere pater in bruine pij de preekstoel. Het rumoer viel stil. Met de air van het opperste kerkelijk gezag startte hij een angstaanjagende donderpreek over hel en verdoemenis.
Zijn woorden deden ieder bondslid twijfelen aan een redding, zelfs een 'wildcard' voor het vagevuur leek onbereikbaar. Vader was thuis vaak nog uren onder de indruk. Om de alteratie van al dat bruine dondergeweld door te spoelen, hief de koster tot slot zijn lievelingslied aan: “O hoofd vol bloed en wonden…” Een bloederig nummer om een rustige zondag mee te starten. We schuifelden gelaten de kerk uit, de zondagse stemming vaak verscheidene graden onder nul.
Kuddedieren van alle tijden
Onze ouders en grootouders werden strak aan de leiband gehouden, maar het was voor hun zielenheil. Hun vroomheid was een troost voor het dagelijks zweten en zwoegen op het land; een voorschot op de eeuwige zaligheid.
Vandaag kennen we nog vele bonden en partijen, zij het van een totaal ander soort. Het bewijst dat wij mensen, hoe uniek we onszelf ook vinden, sociale wezens blijven. Of zoals Terentius het al zei: “Nihil humani a me alienum puto” — niets menselijks is mij vreemd. We blijven, ook zonder stempelkaart, toch een beetje kuddedieren.



