Argeloos naderde ik die mooie, grote Haspengouwse hoeve. De openstaande poort nodigde me uit om een nieuwsgierige blik te werpen op de ruime, rustige binnenkoer. Tot voor een halve eeuw nog een locatie van grote bedrijvigheid; nu een beetje ingeslapen.
Ik zette enkele overmoedige passen in die richting, maar mijn roekeloosheid werd stante pede in de kiem gesmoord. Manhaftig koel zat hij daar, zijn ijzige blik doorboorde mij: Cerberus, de hellehond. Ik stond plots als bevroren voor een onneembare hindernis. Hondstrouw zat hij daar zijn hondenplicht te vervullen. Geen stap verder, jongen, of ik heb je te pakken!
Kalmte als enig wapen
Weglopen was geen optie. Alleen totale kalmte kon me op dat moment redden. Een pasklare gebruiksaanwijzing had ik niet, dus besloot ik het te proberen via trial and error. Hij bleef me roerloos als een versteende sfinx monsteren.
Hoewel ik nooit van hondenfluisteraars had gehoord, bleek ik over een soortgelijke gave te beschikken. Ik trachtte het gevaar “vredelievend” te bezweren met zachte, hondslieve woorden.
"Ah, mijn brave vriend! Kom maar eens hier!"
Er kwam zowaar beweging in de sfinx. Met enige gestrekte viriliteit kroop hij overeind en zette aarzelend enkele pasjes in mijn richting. Intussen was ik zelf door mijn knieën gezakt om op het vereiste hondenniveau te komen.
De vredespijp (en een pootje)
Met luie argwaan stond hij pal voor me. Even dat vreemde heerschap checken, dacht hij. Ik voelde me als een indringer in de tent van een indianenopperhoofd die me de vredespijp aanreikte. Ik stak mijn hand uit en bedelde "slijmend" om een pootje.
Dat gebaar brak het ijs. Er ontstond een brug van vertrouwen tussen mij en de geblokte Bordeauxdog, van wie ik later vernam dat hij Georges heette. Na nog wat zoete woordjes over hoe sterk en braaf hij wel was, gebeurde het: hij naderde, snuffelde, ging zitten en hief zijn rechtervoorpoot.
Een vriendschap voor het leven
Ik beloonde hem met alle hemelse lof. Daarna nam ik mijn telefoon voor een staatsiekiekje. Georges bleek over een fotogeniek talent te beschikken. Na iedere foto volgde een flinke aai over zijn kop. Tenslotte vleide hij zich in totale overgave voor mijn voeten neer, wachtend op een stevige knuffel.
Op mijn volgende wandeling langs de hoeve kwam Georges me al kwispelstaartend tegemoet. Het werd een vriendschap voor het leven.
Dag Georges, het ga je goed!
Mulche canem, cave hominem!
(Thieu)



