Statistieken
Zoals dat steeds weer het geval is, kregen we ook nu, rond nieuwjaar, een hele resem statistieken voorgeschoteld, in kranten en tijdschriften. En, vanzelfsprekend, op het scherm.
Ik heb er enkele goed bekeken, eentje zelfs met veel aandacht, om verschillende redenen dan. Met cijfers en vergelijkingen werd daarin aangetoond hoe het zit met ons alcoholgebruik, dat meer en meer en terecht, als een maatschappelijk probleem wordt beschouwd. En wat was de voornaamste les die we voorgeschoteld kregen?
Ondanks alle berichten over wilde feesten en haast misdadige studentendopen zijn het niet de jongeren die het vaakst aan de pint of aan het wijntje zitten.
Zij houden het – en dat merk je wel als je ook eens binnenvalt in een café waar hoofzakelijk 18- tot 20-jarigen komen kletsen – bij van die bijzondere drankjes, die in feite alleen maar iets duurdere versies van de klassieke limonades zijn. Denk ik toch. Iedereen mag echter wel blij zijn met die vaststelling, ouders en grootouders vooral. Wij, mijn vrouw en ik, beleefden wel bange uren toen de bij ons opgroeiende kleinkinderen op de leeftijd gekomen waren dat ze al eens naar een fuifje wilden of gewoon gingen en wij achterbleven met de knagende angst dat ze daar misschien zouden leren hoe fijn (voor een korte tijd dan wel) een en ander drinken wel kan zijn. Bij ons is dat allemaal keurig gebleven, bij anderen mogelijk niet, hoewel, zoals de statistiek leren, de jongeren niet direct de hevigste drinkers zijn.

Pintje te veel
Die ‘eer’ komt toe aan de 55- tot 75-jarigen en misschien aan nog oudere ook, als die er nog zijn of gezond genoeg blijken om een pintje te veel te verzetten.
Nu is het wel te verklaren waarom net die ouderen al eens meer ‘proost, schol of santé’ zeggen. Zij – en ik natuurlijk ook – komen uit een generatie die zogezegde gezelligheid nog niet thuis opgediend kreeg, voor het televisiescherm dan. Toen ik (83 intussen) oud genoeg was om ‘onder de mensen te komen’, was er in de eigen woonkamer maar weinig pret te beleven, zeker voor de mannen die alzo bijna gedwongen werden naar de kroeg te trekken. Om daar, omdat de ene na de andere altijd wel een goedde reden had om de vrienden te trakteren. Dat de vrouwen thuisbleven, vond toen iedereen zo goed als normaal. Zij waren er – in tegenstelling tot vandaag – toch alleen maar om op de kinderen te letten en te wachten tot vader weer thuiskwam. In welke toestand, daar hadden zij het raden naar.
Overmatig gebruik
Nu kan ik niets anders dan tevreden zijn met het feit dat het alcoholgebruik bij de komende generaties vermindert. Ik heb er genoeg gekend die door overmatig gebruik gestorven - of tenminste zwaar ziek geworden zijn. En lees of hoor ook dat zoveel dodelijke ongevallen nog steeds veroorzaakt worden door chauffeurs die te diep in het glas gekeken hebben, tot daar niks meer te zien is.
Maar langs de andere kant heb ik toch een beetje heimwee naar de avonden die ik destijds in de kroeg doorbracht. Met vrienden en kennissen en in cafés die nu al een hele tijd gesloten zijn, wegens te weinig cliënteel en rendement.
Hoewel hierbij toch een hoopgevende randbemerking mag geschreven worden. Ik las op de gewestelijke bladzijden van mijn krant dat er in diverse steden en gemeenten af en toe weer echte ‘staminees’ geopend worden. Ik wens de ‘partrons daarvan, de gezelligheid ten bate plus de verhoging van het maatschappelijk contact, alle succes toe, zij het dan met inachtneming van het ‘met verstand drinken’, wat zelfs gepromoot wordt door brouwers en andere alcoholproducenten.






