Weet je nog, de tijd van de pelgrimstochten?
Het was al een eeuw lang een vrome traditie.
Elk jaar in de Onze-Lieve-Vrouwemaand mei en in de rozenkransmaand oktober stuurde de internaatsdirectie haar 200 pupillen op pelgrimage naar het genadeoord van Kortenbos. Deze welgekomen uitstap brak het strenge internaatsritme. De trip verliep meestal op een zonnige namiddag, te voet langs romantische landouwen van weelderige graanakkers en toen nog hoogstamboomgaarden.
Ons jeugdig enthousiasme met groot jolijt culmineerde telkens weer in een soort vakantiestemming, veraf van de vroomheid die men van ons verwachtte. Maar wanneer we de prachtige basiliek naderden, werden we verondersteld terug te schakelen naar de klassieke internaatseisen, en vroom geknield op krakemikkige stoeltjes, met een rieten zit, plaats te nemen.
Een plechtig lof met benedictie en andere zegeningen moest ons weer paraat maken voor het streven naar heiligheid. We ondergingen het hele ritueel braafjes tegen beter weten in.
En als de wierooksluiers boven onze jeugdige hoofden waren verdwenen, mochten we de terugweg aanvatten. Die ging steevast langs de mysterieuze bossen en het kasteel van Nieuwenhoven, een veldweg richting Engelbamp en Melveren. Zo bleven onze zieltjes gespaard van nefaste wereldse invloeden.
Een onvergetelijk avontuurlijk was onze slentergang langs de prachtige ongerepte natuur in de verblekende avondzon.
Waren onze bedevaartsintenties niet zo overtuigend, we hielden er toch mooie herinneringen aan over. En dan dropen de schaapjes weer braafjes binnen langs de zware internaatspoort, die daarna door de surveillant met veel vertoon werd afgesloten. We verkeerden weer in verzekerde bewaring onder streng toezicht van zwartrokken. Het betekende het einde van een mooie dag, zonder saaie Latijnse en Griekse vertalingen.
Vandaag, 70 jaren later, lijkt alles anders , minder romantisch, jachtiger, en wereldser. Of ligt het aan mezelf !
Samen met een wandelvriend deed ik de bedevaartstrip nog eens over. De zon beloofde ons immers een mooie zomerdag. De paarden in het weiland vroegen zich verwonderd af waar die twee krasse knarren naartoe trokken. De geur van de gemaaide hooilanden bleek nog even aromatisch als toen. En de vogels floten nog dezelfde melodie. Het vredige landschap ademde een zalvende sfeer met heuse rode papavers en blauwe korenbloemen, door natuurvrienden weer tot leven gewekt. Het was intens genieten, maar nu zonder het jeugdig enthousiasme van toen. We lieten de zegeningen van de natuur hun werk doen. En de stilte mocht ons best vergezellen.
Die oude hoeve stond er nu te verkommeren en te hunkeren naar overlevingsinfuus. Een koel notarisbericht trachtte ons te verleiden met “Te Koop”. Waar was de drukke agrarische bedrijvigheid van toen gebleven ! Wanneer had de laatste farmer het bijltje erbij neergelegd? We leerden in de Griekse les “panta rhei”, wijsheid gelanceerd door Heraclitus, of was het Aristoteles, het geeft niet. Het blijkt wel een stevige waarheid.
Kijk, die monumentale plataan stond er toen ook al stoer te wezen. Vandaag pronkt hij met een nog bredere kruin en robuuste stam, blakend van gezondheid. Hij zal me beslist overleven! Sterkte, kerel!
Goeiemorgen mijnheer, lekker zomerweertje! Een babbel met een leeftijdsgenoot staat garant voor wat extra locale wijsheid. “Ja, mijn tuin krijgt nu minder aandacht, wat wil je, ik onderging een zware operatie en ik ben blij dat ik nog leef. Waar stappen jullie naartoe? Ah, naar Kortenbos, op bedevaart? Doe ook maar een gebedje voor mij!”
“Zeker, mijnheer, en het beste gewenst!”
Een ongemakkelijke stilte overviel me. Gepeins sleepte me voort. De vergankelijkheid bleef ons achtervolgen.
Ah, een knusse zitbank in de schaduw van een mariagrot nodigde ons uit even te verpozen. Het “dorpsmonument” bleek in de jaren vijftig gebouwd uit vroomheid en dank voor een genezing. De moderne dorpeling fietst er nu haastig en achteloos aan voorbij. Bedevaarten om je hemel te verdienen, je maakt een grapje, mijnheer!
Mais, ou sont les neiges d’antan?
De tocht gaat verder. Een toevallige passant krijgt slechts moeizaam een goedendag over zijn lippen. Ik ken u toch niet, mijnheer!
En hier woonden die sympathieke mensen die ons toen vriendelijk toewuifden en aanmoedigden op onze tocht. Nu lijkt alles roerloos stil. “Sag mir wo die männer sind, wo sinds sie geblieben?’
Luister eens! Als die lawaaierige tractor voorbij is, kunnen we de beiaard van de stoere kerktoren horen. Zoetjes galmen de klokjes ons een welkom tegemoet. “Le clocher de Kortenbos a 5 tours et 4 cent (sans) cloches.” Met deze zin trachtte de leraar Frans ons destijds op het verkeerde been te zetten. “Et ne pas oublier, mes amis!”
We nemen onze pet af en schuifelen met stramme benen naar binnen. Een religieuze koelte gaf verademing na de lange tocht. De plechtige stilte bracht ons in de juiste gebedsstemming. Het sobere genadebeeldje baadt in een zee van, jawel, moderne ledverlichting. Times are changed! We blikken vol bewondering naar het prachtige altaarstuk van Caspar De Crayer, een verdienstelijke 17de eeuwse schilder, die op bestelling van de Norbertijnen van Averbode, het schilderij mocht maken. Onze -Lieve-Vrouw “Salus Infirmorum”, zit zo voornaam en lieftallig op haar troon, klaar om elke sterveling in audiëntie te ontvangen. Het effect van zoveel overweldigende barokkunst bezorgde de pelgrim de overtuiging dat hij of zij gesterkt en genezen weer naar huis kon.
Met dezelfde religieuze overtuiging staken we een bedevaarderskaars aan voor onze dierbaren, en ook een beetje voor onszelf. We waren genezen!
Maria deelt nog steeds even minzaam glimlachend haar genade uit aan al wie in haar voorspraak gelooft. We mogen op haar rekenen.



