Thieu Vanhees mijmert deze week over... standbeelden.
Ze staan er nog altijd hun roem en heldendom te profileren, in verscheidene houdingen, buitengewone afmetingen, versteend of gebronsd, gewoon zittend of staand, of ruiterlijk te paard gezeten.
Ze presenteren ons hun verleden, meestal met de hun eigen rekwisieten, waarmee ze hun roem verwierven. Ze gingen door het leven als koning, als wetenschapper, als kunstenaar, als missionaris, als uitvinder of sportbeoefenaar, of als een bijzonder verdienstelijk iemand.
Ooit keken passanten met veel respect naar hen op als naar de onsterfelijke goden van de Olympos. De monumentale uitvoering van hun standbeeld accentueerde hun heldenstatus extra.
Vandaag functioneren ze nog enkel als een toeristische attractie, als cultuurpromotoren voor hun stad, waar ze leefden en werkten. Maar ze blijven ons vergezellen als culturele ambassadeurs. In hun ijdelheid hunkeren ze nog steeds naar wat erkenning, respect, dankbaarheid. Sommige figuren richten verveeld, of zelfs ontgoocheld, hun blik op oneindig. Andere stralen van zelfgenoegzaamheid en fierheid. Of is het ijdelheid?
Wat maakte dat deze mensen een standbeeld kregen? Een mens wordt toch niet als held geboren. Welke proeven doorstonden zij om die status te verwerven? Welke normen hanteerde men om hen uit te kiezen uit een groot aanbod verdienstelijke stervelingen? Misschien streefde men destijds in het grootste geheim naar een ranking voor de “grootste Belg”. Of ligt het gewoon in onze menselijke aard om met elkaar te wedijveren voor de hoogste roem?
In de 19de eeuw ontstond er een golf van nationaal bewustzijn en fierheid om Belg te kunnen zijn. Het prille België moest zich kunnen spiegelen aan een groots verleden. Men ging dus neuzen in de geschiedenisboeken om figuren te vinden die deze hype konden verantwoorden. De “verse” Belgen moesten hun bestaansrecht nog bewijzen.
En hoever staat het met die fierheid vandaag? Hebben we dat gevoel nog van Belg of Vlaming te zijn? En zo ja, wat doen we ermee? De identificatie met onze nationale helden is altijd een vruchtbare voedingsbodem geweest voor de groei van het natiegevoel.
Het initiatief ging in 1835 uit van de regering : standbeelden oprichten voor onze grote historische figuren, minstens één per stad. Die upgrade konden we best gebruiken om ons serieux af te dwingen.
Antwerpen beet het spits af. Onze wereldberoemde P.P. Rubens kreeg als eerste nationale held een prominente plaats in het openbaar leven. Hij zorgde gelijk onbewust voor de onsterfelijke roem van zijn scheppers, de gebroeders Geefs die het beeld mochten ontwerpen. Ze schiepen een product van wereldklasse. In het spoor van Rubens volgden al vlug Antoon Van Dyck, Jordaens, Teniers, Conscience e.a.. Antwerpen had een grote voorraad aan beeldende kunstenaars, waarop andere steden wel een beetje jaloers waren.
Maar dat was gelijk een extra prikkel voor hun ambitie. Men wilde niet achter blijven. Trouwens de regering strooide kwistig met subsidies voor de nationale heldencultuur.
Ook Tongeren besliste wat te doen aan hun status van oudste Belgische stad. En men toog er aan het werk. De Fransman Jules Bastin werd verzocht om een beeld van Ambiorix te ontwerpen. Deze legendarische bendeleider van de Eburonen was een luis in de pels van Jules Caesar. Volgens sommige historici had hij geen band met Tongeren en was hij slechts een fictieve verzetsheld, gecreëerd uit een “fando audire” van Jules Caesar. Trouwens, kon er toen al sprake zijn van Tongeren? Misschien slechts in een soort van embryonale fase. Maar dat zal de Tongenaren een zorg wezen. Ze kregen zomaar een extra toeristische trekpleister bij. Mooi meegenomen toch. Het stoere heerschap staat vandaag nog altijd de toeristen even uitdagend aan te staren, klaar om de strijd aan te binden met …ja, met wie eigenlijk?
Wij trokken onze stoute schoenen aan en gingen op zoek naar Vlaamse kunstwerken, die her en der dapper de tand des tijds staan te trotseren. We gaven ze de nodige aandacht en het nodige respect. Het werd een leuke ontmoeting met de helden van weleer.
In Antwerpen blijkt Conscience onverstoorbaar en in zichzelf gekeerd, in zijn stenen zetel te zitten mijmeren over Vlaanderens groots verleden. De horden toeristen interesseren hem blijkbaar niet. Die kijken meestal achteloos aan hem voorbij.
Antoon Van Dyck lonkt vanuit zijn statige positie, als een soort playboy, schaamteloos naar het vrouwelijk schoon op de Meir. Jordaens en Teniers doen dat iets meer bescheiden, maar presenteren zich toch met een groot ego.
In Gent wijst de 14de eeuwse Jacob van Artevelde kordaat naar Engeland en naar de plek waar hij door Gheeraaert Denijs laffelijk gelyncht werd. Memento mori! Hij had het toch zo goed voor met de Gentenaars. En misschien ook wel een beetje met zichzelf.
In Brugge leidt het duo Jan Breydel en Pieter De Coninck de historische dans. Het zijn heroïsche iconen, twee vrijheidsstrijders pur sang, gekant tegen de verknechting van het Vlaamse volk. Jammer dat Pieter De Coninck niet mocht delen in de benaming van het sportstadion, hoewel hij historisch belangrijker is dan zijn spitsbroeder.
In Aalst kijkt Dirk Maertens als eerste drukker in de Nederlanden een beetje verweesd en naïef naar de carnavalsgekte van vandaag. Misschien schaamt hij zich om zijn zwarte tint en wacht hij op een warme douche, die hij maar niet krijgt.
In Pittem zit Ferdinand Verbiest als de Chinese keizer himself in zijn 17de eeuwse glorie als jezuïetenmissionaris in China, te dubben over de astronomische afstanden in ons planetenstelsel. En misschien ook wel over zijn stoomautootje? Niet storen a.u.b.!
Een ontroerend beeld treffen we aan in Dendermonde. Het toont ons Pieter Jan De Smet, de grote zwartrok, die het als missionaris opnam voor de bedreigde Indianen in Amerika, en daar nog altijd meer respect oogst dan bij ons. Voorwaar een groot man. Hij liet vader De Smet in het ongewisse over zijn vertrek naar “den vreemde”.
Welke band Godfried van Bouillon eigenlijk had met het middeleeuwse Brussel is ons niet zo duidelijk. Waarschijnlijk zocht men een held om de gapende leegte die de “gesmolten” Karel van Lorreinen achterliet, op te vullen Allicht vandaar.
En zo kwamen we in Leuven voor het beeld van onze grootste Belg te staan, Pater Damiaan, alias Jozef De Veuster. Hij houdt zijn arm vaderlijk en troostend om een verstoten lepralijder geslagen, heldhaftig in zijn eenvoud.
Onze missionarissen hadden enorme verdiensten. Ze trokken zeker niet naar den vreemde om zichzelf te verrijken of omdat ze een heldenstatus ambieerden. Hen kan men zeker niet van koloniale of racistische onderdrukking betichten. Ze krijgen terecht onze grootste bewondering cum maxima laude.
Vandaag verdienen nog heel wat stille helden alle eer en respect. Hun aanwezigheid in het straatbeeld oogt wel een stuk bescheidener. Maar dat geeft niet, zolang we hen maar niet vergeten. We hebben nu eenmaal helden nodig om ons “au serieux” af te dwingen.
Nu ligt trouwens de lat voor het heldendom een stuk lager. Als “koning van de kermiskoersen” kan je al aanspraak maken op onsterfelijke roem, wat je dan een fraai standbeeld oplevert, al dan niet tot grote ergernis van onze hoog geprezen flandrien Briek Schotte, die een indrukwekkend palmares bij elkaar fietste, en nu ten eeuwige dage het dorpsplein van Kanegem mag sieren.
Jammer dat het verleden aan sommige figuren te veel eer gaf en aan andere te weinig. Moeten we onze geschiedenis af en toe niet wat bijsturen en omstreden beelden opbergen om plaats te maken voor nieuwe helden?
En wat met onze wereldleiders die vandaag het wereldtoneel afdweilen met een al te groot ego van onsterfelijke waanzin, en zich daarom permitteren over lijken te gaan! Dat gaan we bekijken in een volgend hoofdstuk.



