We staan er zelden bij stil. Waarschijnlijk een blijk van vertrouwen op ons feilloos brein.
We geloven dat we vrij zijn om te kiezen en zelf te beslissen. Buiten de vele morele verplichtingen en reglementen die ons in de juiste levensrichting willen buigen, hebben we “gelukkig” ook nog een eigen brein.
Dat brein van ons kan, zo denken we vaak, kan zich toch verzetten of gewoon in staking gaan tegen wat ons niet zint. We beschouwen ons brein als een persoonlijke sterke troef van onze persoonlijkheid. Dus kunnen we ons leven toch in eigen handen nemen en onze eigen weg gaan. We drukken gewoon een knop in naar keuze. Mooi geredeneerd!
Maar intussen experimenteerde fysioloog Benjamin Libet met de menselijke vrije wil. Hij toonde aan dat ons brein de mens in zijn/haar beslissingen te snel af is, en ons dwingt te doen wat het al voorgeprogrammeerd heeft. Betekent dat dat we geen invloed hebben op ons leven? Is alles voor ons al voorgekookt? Zijn de kaarten al geschud voor we beslissen? Dansen we aan de touwtjes van ons voorgeprogrammeerd brein?
Met de glimlach zouden we de theorie van Libet ter zijde kunnen schuiven als pure onzin. Ik beslis toch zeker wel zelf over wat ik wil of niet wil. Komaan man! Maar trappen we dan niet al te argeloos in de val van de illusie? Hoe kunnen we als gezonde schepselen de grens tussen illusie en werkelijkheid aftasten?
Moet ik een onderscheid maken tussen mezelf en mijn hersenen? Mijn IK staat toch niet los van mijn brein?
We aanvaarden wel dat we een genetische aanleg hebben. We zijn ons overigens zelden bewust van tal van factoren die meespelen, en onze “vrije wil” stiekem kunnen dwarsbomen.
Ik ben, net als zovele andere individuen, een complex wezen dat op een fantastische manier met de idee leeft dat ik een eigen wil heb.
Als Plato zegt dat ideeën waarlijk zijn, bedoelt hij dat ze eeuwig zijn, tijdloos, dus onveranderlijk en absoluut. En dat in tegenstelling tot de voorwerpen om ons heen. Ideeën zijn slechts met het brein waarneembaar.
In feite laat het de mens koud dat hij of zij met een “nepvrijheid” door het leven gaat. We maken ons geen fysiologische of filosofische zorgen.
En dat we te pas en onpas het werkwoord “willen” blijven gebruiken, kan alleen maar onze overtuiging versterken dat we vrije wezens zijn.
Het lijkt er soms op dat iedere hersenhelft over een eigen wil beschikt en dat die hersenhelften elkaar wel eens durven blokkeren.
Een keuze maken kan bewust zijn, overdacht, gemotiveerd, maar kan ook spontaan of lukraak, of gepaard gaan met twijfels. We overtuigen onszelf wel dat we de enige juiste keuze hebben gemaakt. Bij voorbeeld bij de keuze van een partner, van een beroep, of van een financiële verrichting. Maar achteraf blijkt dat helaas niet zo. En onszelf blijven tergen met de hypothetische vraag “wat als ik geopteerd had voor die andere mogelijkheid?” heeft totaal geen zin.
Soms lijkt het plezant om illusies te koesteren. Illusies en dromen ontkalken de ruwheid van het leven. Ze nemen ons mee naar een ander leven. Ze helpen ons ontsnappen uit de escaperoom van een minder aangename situatie.
Stel je voor, een mens zonder dromen, we durven er niet aan denken.(T.V)



