Paul Poot, geboren op 29 maart 1941, als achtste en laatste telg in een katholiek doktersgezin.
Een oorlogskind. Een vechtersbaasje als jonge knaap. Een gedreven scout. Een gepassioneerde huisarts. Een liefdevolle echtgenoot, papa en opa.
Een tevreden man.
Ik kijk dokter Poot aan, in blijde verwachting van het interview. Dokter Poot is 82 jaar oud en uiteraard geen praktiserende arts meer. Maar hij was wel mijn huisarts toen ik een kind was en dat maakt dat hij altijd dokter Poot zal blijven. Mijnheer of Paul zou ik in geen honderd jaar over mijn lippen krijgen.
“Zoals ik je al zei, Anne-Sofie, heb ik niet zo’n bijzonder leven gehad.”
“Vertelt u maar, de bijzonderheden zitten hem in de kleine dingen,” antwoord ik hem.
Dokter Poot kruist zijn handen over elkaar en kijkt me met een heldere blik aan.
Ik was de jongste in een gezin van acht kinderen. Mijn vader was 53 jaar oud toen ik geboren werd en mijn mama was er 40. Dat bepaalt je leven wel. Ik had geen ouders maar grootouders. Na zeven kinderen waren mijn ouders wat moegestreden. Mijn oudere zussen hebben me evenzeer opgevoed als mijn eigen ouders, en zij grepen in wanneer dat nodig bleek.
Mijn vader trouwde laat, voor die tijd dan toch. Hij had vier jaar meegevochten in de eerste lijn in WO I. Hij werd gekwetst, opgelapt en opnieuw naar het slagveld gestuurd. Hij had wel even tijd nodig om van deze periode te bekomen.
Hij was 37 jaar oud toen hij mijn mama ten huwelijk vroeg. Mijn mama kwam uit een industrieel gezin uit Goirle. Zij verhuisde naar Overijse, een dorp in de druivenstreek. Mijn vader was toen jarenlang vrijgezel geweest en gevestigd arts. Hij werd al die jaren verzorgd door een ongetrouwde zus van hem. Het was bijgevolg niet gemakkelijk voor een Nederlandse jonge vrouw om aanvaard te worden en haar plaatsje te veroveren in de familie van mijn vader en in het dorp. Uiteindelijk lukte dat wel, zeker nadat ze acht kinderen op de wereld zette in vijftien jaar tijd en ze zich ook zeer nuttig maakte in het sociaal leven in Overijse.
Ravotten en kampen bouwen in onze tuin
Stel u een gezin voor van acht kinderen die elkaar snel opvolgden. We hadden een grote tuin waarin we na school ravotten en kampen bouwden. Eerst kregen we een “boterham met tevredenheid”(boterham met boter) en vervolgens werden we de tuin ingestuurd. Mijn mama was ook vooruitstrevend op vlak van sport en beweging. We zwommen, tennisten, fietsten. Dit nam ik later mee in mijn eigen artsenpraktijk: de mensen aansporen tot bewegen. Soms kreeg ik al eens de opmerking van een patiënt: “wat gaan de mensen zeggen, dokter, als ze mij zien wandelen?” Want ja, dat was toentertijd verloren tijd. Er moest gewerkt worden!

We waren een gezond en blij gezin, we hadden een onbezorgde jeugd. We hebben nooit hongergeleden, ook niet tijdens de oorlog.
Vader had een grond waarop aardappelen en graan werden geteeld en we hadden een clandestien varken. Dat uiteraard ook clandestien geslacht werd. Heel het dorp leek dat wel te weten, behalve de Duitsers dan. Voorts heb ik niet zoveel herinneringen aan de oorlog. Ik was vier toen de oorlog beëindigd werd. Mijn oudere zussen en broers vertelden me later dat vader vaak mensen over de vloer kreeg, vooral op zondag. Deze mensen kwamen “voor advies” naar onze vader. Achteraf bleken deze personen leden van het Verzet te zijn, waar ook mijn vader toe behoorde. Zijn koffer heeft vier jaar lang klaargestaan, voor het geval hij zou worden opgepakt.
Een eerbare zaak om in het verzet te zitten, maar misschien niet echt verantwoord voor een vader van acht kinderen.
Een gecompliceerde tienertijd
Mijn tienertijd was wat gecompliceerder. Zoals de traditie het in ons gezin wilde, vertrok ik in het vijfde leerjaar naar de basisschool van het Sint-Jan-Berchmanscollege in Brussel. Daar zou ik ook mijn middelbaar gelopen hebben als de Schoolstrijd geen roet in het eten had geworpen. In Overijse opende een paterscollege een externaat in concurrentie met de “Rijksmiddelbare school”. Mijn vader was de arts van het College en als goede katholiek had hij een voorbeeldfunctie in het dorp. Hij haalde me dan ook terug naar Overijse waar ik mijn 1ste middelbaar in de richting Grieks-Latijn op het College aanving. Ik was niet erg gemotiveerd destijds en zeker geen studax. De paters zagen mijn slechte resultaten door de vingers vanwege mijn vaders positie en lieten me overgaan naar het tweede middelbaar waar ik opnieuw geen minuut aan studeren besteedde. Daarop pleegden mijn zussen thuis een ware paleisrevolutie! Ze maakten zich – terecht – zorgen over mijn toekomst en beslisten dat ik naar een Jezuïeten College zou gaan. Het zou een Jezuïeten College worden waar ze de vijs serieus zouden aanspannen.
U moet weten dat ik een stel oudere zussen had die erg studieus waren. Zo studeerde er eentje af als apotheker, een andere als kinesiste, eentje als economiste en Mia trad toe tot de congregatie van de Medische Missiezusters en studeerde geneeskunde om vervolgens als chirurg naar Afrika te trekken en daar te gaan werken in een ziekenhuis. Dergelijke zussen zien de schoolse luiheid van het kakkersnest uiteraard niet door de vingers.
Ik belandde op het Jezuïeten College van Aalst waar ik intern werd. Ik voelde me verbannen, ver weg van huis. Dit was waarschijnlijk de moeilijkste periode uit mijn jeugd, het feit dat ik van huis weg moest en op internaat werd ‘gezet’. In het begin kwam ik om de veertien dagen naar huis, vervolgens werd dat om de week. Mijn enige geluk was de vriendschap met een klasgenoot uit Zuun, die eveneens intern was. Ik kreeg een vriend voor het leven.
Mijn verblijf op het College in Aalst was een moeilijke ervaring die destijds erg zwaar doorwoog maar wel bepalend is geweest voor mijn verdere studies en loopbaan. Ik werd door de Jezuïeten weer op de rails gezet en besliste dan ook om zoals mijn vader en oudere broer geneeskunde te gaan studeren.
Terug op de rails
Mijn eerste jaar volgde ik les in Namen, in de Université Notre Dame de la Paix. De aanpak was persoonlijker dan in Leuven en aan studeren was geen ontkomen, toch niet als je een blamage wilde vermijden. Om de zoveel weken werden we publiekelijk ondervraagd. Met mijn medestudenten geneeskunde kwamen we samen in de aula. Eén persoon werd uitgekozen en diende naar voor te treden voor ondervraging. Een spannende ervaring die aanzette tot studeren.
Na één jaar vervolgde ik mijn opleiding aan de KULeuven. Het was een zware studie maar het lukte.
In het midden van mijn studie geneeskunde organiseerde ons jaar de Halftime. We waren halfweg en dat mocht gevierd worden. Een week lang was er geen les en werd er volop gefeest. Die week zou memorabel worden voor mijn verdere leven want ik maakte kennis met één van de tien meisjes uit ons jaar. Een zeer mooi meisje waar ik niet had op durven hopen, Miek. Ze had net als ik een Nederlandse mama en een Belgische vader. Enkele maanden na de halftime werden we een koppel. De vrees van mijn ouders voor een eventuele slechte invloed van ‘een meisje’ op mijn studieresultaten werd absoluut niet bewaarheid. We studeerden altijd samen en vanaf dat jaar behaalden wij jaarlijks onderscheiding.
Miek was de vrouw van mijn leven. Ik zweefde letterlijk in het begin van onze verkering. Andere pretendenten vochten voor haar op de Oude Markt van Leuven. Mijn geluk kon niet op dat ze voor mij gekozen had!
Trouwen, kinderen en een beginnende arstenpraktijk
Ik trouwde met haar in het mooie kerkje in Rijmenam, huwelijk ingewijd door monseigneur van Waeyenbergh, en startte mijn algemene artsenpraktijk in Overijse. Miek werd schoolarts maar was bovenal een zeer polyvalente vrouw: ze runde het gezin als geen ander, was mama, naaide voor de kinderen, managede het hele huishouden, plande de vakanties, en was bovendien een goede schoolarts. Ik leerde haar autorijden zodat ze op een school in Asse kon gaan werken als arts. De eerste keer dat ze alleen reed, vertrok ze vanuit ons dorp, helemaal door Brussel, tot in Asse. Ze is heelhuids thuisgekomen.
Miek was een enorme steun tijdens mijn volledige carrière waar ik elke dag werkte van 8u30 tot 22u ’s avonds en soms later. Eens de kinderen het huis uit waren, was het niet altijd gemakkelijk voor Miek daar ze elke avond tot laat in de avond op me wachtte. Ik besloot dan ook op 66-jarige leeftijd met pensioen te gaan, zodat we nog een mooie tijd samen konden beleven. Die tijd werd spijtig genoeg korter dan gehoopt.
Voor de leeuwen geworpen
Terug naar het begin als jonge arts. Ik werd letterlijk voor de leeuwen geworpen. Er was toen nog geen bijzondere vorming voor huisartsen zoals we die nu kennen, enkel één jaar klinische opleiding. Ik vestigde me naast mijn vader die bejaard was maar wel nog praktiseerde.
Mijn keuze voor algemene geneeskunde was weloverwogen. Ik koos ervoor om mensen te begeleiden van de wieg tot het graf en niet enkel nieren of longen te zien of alleen chirurgie te beoefenen.
In die tijd was een huisarts bovendien een vertrouwenspersoon voor de patiënt. Ik kende mijn patiënten door en door, wist wat er leefde binnen het gezin, de familie. Na een consultatie was er ook wat tijd voor een korte babbel. Hoe gaat het met de kinderen, uw vader, uw broer of zus? Soms kwamen patiënten met het hele gezin op consultatie of op zondag langs thuis om een familiekwestie te bespreken. Zo herinner ik mij een familie die langskwam om een erfenis te bespreken waarover er discussie leefde.
Ik deed ook pediatrie, algemene gynaecologie, bevallingen thuis of in het ziekenhuis. Mijn vader had zijn acht kinderen ter wereld gebracht en de bevallingen gedaan van een deel van zijn dochters. Ik kon nog net de bevalling van mijn oudere zus doen.
Zo ging dat in die tijd. De patiënten gingen niet graag naar specialisten of naar het ziekenhuis. Ze bleven zo lang mogelijk bij de huisarts en zo bleef het beroep van huisarts ook zeer divers en boeiend.
Mijn rol als huisarts is een rol waar ik gelukkig van ben geworden en waar ik ook wel fier op ben, o.m. op de zaken die ik samen met een andere arts uit het dorp heb kunnen bewerkstelligen. Samen hebben we het artsenleven in Overijse georganiseerd. We zetten een destijds onbestaande regeling op voor vervangingen en avondwacht hetgeen het artsenleven leefbaarder maakte en de solidariteit tussen de artsen onderling vergrootte. We verwelkomden jonge artsen steeds met open armen in het dorp en schakelden hen onmiddellijk in voor vervangingen. Er was werk genoeg en elke nieuwe arts bijgevolg een geschenk. Ik werd ook voorzitter van de Bijscholing voor artsen van Overijse en omstreken. We organiseerden bijscholingen voordat deze verplicht werden door de overheid.
Ik kan op vandaag zeggen dat ik nooit spijt heb gehad van mijn beroepskeuze en mijn beroep ook steeds met plezier heb beoefend. Ik deed mijn best en was een tevreden man als dokter. Het feit dat enkele van mijn patiënten uiteindelijk ook voor arts en huisarts zijn gaan studeren, ervoer ik als een eer en gaf me het gevoel dat ik ze geen slecht beeld van geneeskunde had gegeven.
Het sociale aspect ging me ook goed af. Ook vandaag sla ik graag een babbel met mensen in de bus of op straat. Af en toe voel ik me wel ‘die oude man’ wiens mening er niet meer toe doet. Daar kan ik wel eens last van hebben. Ook op de gemeente, als ik iets durf aan te kaarten dat niet goed loopt in de buurt. Een huis dat op instorten staat en waar de gemeente iets aan zou moeten doen, dan wordt mijn mening al gauw weggewuifd. Misschien doet die er ook wel echt niet meer toe want ja, ik ben ook maar een oude man.
Miek, een vrouw waar ik fier op ben
Ik ben uiteraard ook zeer fier op Miek en hoe zij onze drie meisjes heeft grootgebracht want daar krijgt zij alle pluimen voor, dat is haar verdienste. Ik was geen aanwezige vader, eerder een weekend papa. Ik hoop dat mijn dochters daar niet onder geleden hebben en ik ben blij dat ik een zeer goede band heb met mijn drie dochters, en nu ook met de kleinkinderen en achterkleinkinderen.
Tenslotte mag ik ook fier zijn, samen met Miek, over hoe we er het als gezin hebben vanaf gebracht, maar ook als koppel. We vierden ons 50-jarig huwelijk. Hoe vaak gebeurt dat nog op vandaag? Vijftig jaar lang samen gelukkig zijn.
Mijn grootste verlies is dan ook dat van mijn lieve vrouw, die net zoals haar vader Alzheimer kreeg. In 2015 werd ze ziek. Ze was 74 jaar. Toen ik merkte dat er iets mis was met Miek en dit vervolgens werd bevestigd door de neuroloog, hadden we één ding voor ogen: er het beste van maken voor de tijd die ons restte. Miek aanvaardde de diagnose uitzonderlijk rustig. Ze had het me steeds gezegd: “Papa had alzheimer en ook ik zal het krijgen.” Haar woorden werden werkelijkheid.
Bij het verhuizen naar onze nieuwe woonst was ze nog net in staat om aan te wijzen waar alles moest geplaatst worden. Dozen inpakken in het oude huis, dat was toen al te zwaar voor haar.
Na een jaar ging ze tweemaal per week op dagverblijf in Hoeilaart en vervolgens naar een woonzorgcentrum in Overijse.
Een moeilijk einde tijdens Covid
Vrij snel kreeg ze afasie en was er geen communicatie meer mogelijk. Ze kon niets meer zeggen: niet of het eten lekker was, maar ook niet of ze pijn had. Ze had ook slikproblemen en kon niet meer zelfstandig eten. Mijn hoedanigheid als arts was toen wel een voordeel, zeker tegen het einde van haar leven tijdens COVID, toen ze echt zeer moeilijk at en dronk. Ik mocht haar ’s middags en ’s avonds eten geven in een aparte kamer in het rusthuis, de ‘palliatieve kamer’. De kinderen mochten toen ook bij haar langskomen. Toen ik haar echter weer op been kreeg en ze weer at en dronk, verhuisde het zorgpersoneel haar opnieuw naar de gewone afdeling van het woonzorghuis, waar de familie in principe niet meer langs mocht komen.
Zoals voor veel lotgenoten waren dit de tergende gevolgen van de regelgeving tijdens COVID. Uiteindelijk heeft de directie me verzocht om opnieuw eten te komen geven ter ontlasting van het personeel. Toen ze helemaal niet meer kon slikken heb ik haar palliatieve sedatie laten geven zodat ze niet bewust zou sterven van honger en dorst.
Uiteindelijk overleed ze in november 2020, op tachtigjarige leeftijd. Het laatste jaar was er geen bewust contact meer met me, ze herkende me niet meer, noch haar dochters. Wat wel ontzettend mooi was, was haar contact met de achterkleinkinderen, met hen was er wel een soort van prettige omgang. Ze kon echt smakelijk lachen met de achterkleinkinderen en plezier met hen maken.
Mijn grootste verlies is dan ook zonder enige twijfel Miek.
Mijn bezigheden, de kleine dingen des leven
Nu blijven de kleine dingen des levens. Fietsen, wandelen, de krant lezen. Naar lezingen gaan van de Universiteit Derde Leeftijd Leuven, deelnemen aan activiteiten van de Koperen Passer. Samenkomsten met mijn familie. Ik pik wel eens een fietsvakantie mee, maar verre reizen laat ik sinds Mieks ziekte en overlijden, links. Dat hoeft niet meer voor mij. Samen hebben we heel wat mooie reizen gemaakt.
Mijn allereerste reis deed ik op tienjarige leeftijd. Samen met mijn ouders en vier van de acht kinderen, maakten we een rondreis door Frankrijk. Uiteraard passeerden we in Lisieux en Lourdes. We gingen zelfs één dagje naar Spanje met een hele administratieve poespas tot gevolg. Dat was heel wat indertijd, de grens overgaan.
Later trok ik als student tweemaal naar île de Port-Cros. Samen met een medestudent trokken we ons scoutsuniform aan en deden autostop tot aan de azurenkust. We gingen onderweg in een restaurant iets eten. De Fransen dachten dat we soldaten waren en meevochten in de Algerijnse Oorlog. We kregen gratis eten en heel wat complimenten!
Met Miek ondernam ik heel wat verre reizen. We trokken naar Mexico, de VS, Indonesië, Syrië, Jordanië, Egypte, Tunesië, Zuid-Afrika waar mijn broer toen woonde, Namibië…. Maar dat kwam vooral later. Zoals de meeste Belgen met jonge kindjes begonnen we met zon-zee-strand vakanties voor onze kleine bengels. Vervolgens kwamen de verre reizen. Op vandaag hoeft dat niet meer voor mij. Het zegt me niets om alleen ver te reizen, zonder dat je dat met je partner kan delen.
Televisie en smartphone: een domper op relaties
De televisie heeft mijn inziens gezorgd voor een minder sociale samenleving: er wordt minder gebuurd, en de smartphone heeft de communicatie tussen jongeren volledig de das om gedaan.
Ik zit op de bus en dan kijk ik met spijt naar een bende vrienden, die met z’n vieren tegenover elkaar zitten en niet spreken maar alle vier tokkelen op hun gsm. Waar gaat dit toch naar toe? Verbinding, spreken met elkaar. Net hetgeen ik zo waardevol vond binnen mijn beroep, dat gaat nu teloor.
We hebben het hier goed verprutst
Ik geef toe dat ik wat bang ben voor mijn kinderen en kleinkinderen daar ik het gevoel heb dat dit wel eens de laatste eeuw zou kunnen zijn op aarde. We hebben er zodanig een boeltje van gemaakt dat ik denk dat de aarde binnen dit en een eeuw niet meer leefbaar zal zijn. Zo voel ik het persoonlijk aan. Ontzettend spijtig voor de mensheid! Ik begrijp dan ook dat sommige jonge mensen twijfelen om nog kinderen op deze aardbol te zetten.
Begrijp me niet verkeerd, ik ben geen negatieve persoon, zelfs eerder een positieve mens. Ik ben zeer blij met het leven dat ik geleefd heb, als arts en als familiemens. Ik heb fouten gemaakt zoals ieder mens. Ik heb een aantal stommiteiten begaan zoals iedereen. En toch heb ik geen spijt van mijn leven in zijn geheel. Ik ben vooral dankbaar voor het leven dat ik kreeg: in de eerste plaats dat ik hier geboren ben en niet ergens in de brousse waar de eerste vraag is: heb ik vandaag eten? Die mensen moeten niet nadenken over hun pensioen maar eerder over de vraag: overleven we vandaag?
Of ik geloof in het leven na de dood?
Antoine Lavoisier zegt : « Rien ne se perd, rien ne se crée, tout se transforme ». Aldus stel ik me de vraag of we niet op één of andere manier gereïncarneerd worden.
Ik denk dat dit ergens een mogelijkheid is. Als klein jongetje zei ik vaak “in mijn vorig leven…”. Als kind ben je nog niet geformateerd dus lijkt me dat misschien een intuïtie over een reïncarnatie. Wie weet. We zullen wel zien!
Dank u wel
“Dank je voor dit mooie levensverhaal, Dokter Poot.”
“Het was niets bijzonders maar graag gedaan,” antwoordt Dokter Poot me met twinkelogen.
Hij staat op en leidt me naar de voordeur. Op weg naar buiten toont hij me enkele foto’s van de kinderen en kleinkinderen, en van zijn lieve Miek.
Auteur: Anne Sofie D’Herde


