Lezer Thieu Vanhees schreef ons volgende tekst over een zondagsritueel...
De haan kraaide zijn victorie uit over het erf en kreeg prompt een stoer paardengehinnik als repliek.
In de stallingen rukte het melkvee ongeduldig aan de ketting. De koeien verlangden naar het weiland waar het malse voorjaarsgras hen wachtte.
Daarmee was de toon gezet van een doodgewone zondagmorgen op de hoeve. Een pastorale rust hing over het dorp. De klokken hadden zich laten horen voor de vroegmis, maar zwegen nu. In de kerk begon de pastoor net zijn retorische donderpreek over kuisheid en huwelijkstrouw, waarmee hij zijn vrome kerkgangers de bibber van onbehagen op het lijf joeg. De gelovigen begonnen er stevig aan te twijfelen of ze hun hemel nog wel konden verdienen.
Ik had mijn laatste paasei naar binnen gewerkt en hield mijn vader gezelschap in de boerenkeuken . Vaders wekelijks ritueel ging zo dadelijk van start. En dat wou ik niet missen. In afwachting zat ik in mijn kleurboek wat kabouters in te kleuren. Mijn kinderhart popelde van geluk en tevredenheid. En tegen beter weten in hoorde dat ook altijd zo te zijn . Ik wist me bovendien beschermd tegen alle onheil, want zo goed en sterk als mijn vader kon alleen God zijn.
En dan trok vader de deur van het schapraai open en greep naar een beduimelde schoenendoos met het scheergerief. Nu kon de vertoning beginnen. Hij installeerde zich voor de kleine wandspiegel vlak langs het raam. In een metalen drinkbekertje goot hij wat warm water en plooide dan een gevaarlijk scheermes open, de “sjoas” zoals hij het noemde. Hij haakte een smalle leren riem vast aan een nageltje in de muur en begon de “sjoas” te wetten, terwijl hij zijn goed humeur vertolkte in een zacht melodieus fluitdeuntje.
Vandaag geen zwoegen op de akker. Vandaag kon hij in zondagskostuum naar de hoogmis en nadien wachtte een frisse pint bier in het café tegenober de pastorie. Dat hoorde zo tot de geplogenheden van het boerenleven. Ook een glad geschoren gelaat paste bij die zondagssfeer. Toen zat het geluk nog in zovele kleine dingen des levens.
Rechtop in de scheerdoos stond een ronde blok scheerzeep. Met een natte scheerkwast wreef hij over die scheerstik en begon dan zijn gelaat in te zepen. Met zijn wit gezicht leek mijn vader dan op een circusclown, klaar om de arena te betreden. Soms duwde hij de kwast met scheerschuim tegen mijn neus. Dan waande ik mezelf een miniclown. Ik vond dat erg grappig.
Oei, nu greep hij naar het scheermes. Als dat maar geen bloederige wonden opleverde! Met lede ogen van schrik en met een gefronst voorhoofd stond ik erop te kijken. Vaak dwong ik mezelf om de andere kant op te kijken. Maar het liep gelukkig altijd goed af. Nog even de laatste witte vlokjes wegwrijven en hij kon weer verder fluiten. Nu nog de afwerking met de aluinsteen, de ultieme deodorant tegen de bacteriën. Ziezo! Dat verdiende toch een stuntelig applausje met mijn tere kinderhanden.
Na de vertoning goot hij zich een kopje koffie in uit de geëmailleerde koffiepot die constant werd warm gehouden op de “Leuvense stoof”, waaronder onze katten steevast hun toevluchtsoord zochten.
Wat leven we nu toch modern! Als kind huiverde ik voor dat scheermes. Ik geloofde toen niet dat ik zo’n scheermes zou durven hanteren. Maar kijk, we doen het nu anders, handiger en sneller, want het moet dagelijks, en we hebben al zo weinig tijd om gelukkig te zijn.
Als mijn vader nu van mijn scheerritueel getuige was, zou hij zijn hoofd schudden van puur onbegrip. Hij zou waarschijnlijk weer zijn eigen scheerdoos opdiepen om zijn grote jongen een kleine demonstratie te geven.
THIEU VANHEES



